Waar was Jan dan?

Terwijl Dennis in de problemen zat in Glanerbrug was Jan in geen velden of wegen te bekennen? Waar zat onze nestor dan? Nou, die was zich weer eens aan het vermaken op De Amsterdamse Zomer. Beetje dansen met zijn dikke buik (edoch prachtig lichaam) en bier (en de rest) drinken.

En daar kwam ie Dutchperformante tegen. Die afschuwelijk witte tanden heeft.

24 reacties op “Waar was Jan dan?

    • Rinus Rukwind zegt:

      En Charly zat thuis tegen zijn zin in naar het gemekker van dat wijf van hem te luisteren. Hij ging liever jonge meiden palen..

      34
      1
  1. De betekenis van 10 plagen zegt:

    De betekenis van de tien plagen

    1. Inleiding

    Waarom ging aan de uittocht uit Egypte een reeks van tien plagen vooraf? Had God niet kunnen volstaan met één grote plaag? Alleen de laatste plaag? Het antwoord op deze vraag ligt minder voor de hand dan je misschien zou denken. We lezen dat God tegen Mozes zegt (Ex. 7:2-5):

    Ú moet alles wat Ik u gebieden zal tegen Aäron zeggen, en Aäron, uw broer, moet tot de farao spreken, dat hij de Israëlieten uit zijn land moet laten gaan. Maar Ík zal het hart van de farao verharden en Mijn tekenen en Mijn wonderen in het land Egypte talrijk maken. De farao zal niet naar u luisteren, maar Ik zal Mijn hand op Egypte leggen en Mijn legers, Mijn volk, de Israëlieten, uit het land Egypte wegleiden onder zware strafgerichten. Dan zullen de Egyptenaren weten dat Ik de HEERE ben, als Ik Mijn hand over Egypte uitstrek en de Israëlieten uit hun midden wegleid.

    Kennelijk wil God Zijn macht aan de farao tonen door de plagen, maar daarmee blijft de vraag open waarom Hij daarvoor 10 plagen gebruikt en waarom juist deze. We krijgen meer inzicht in dat antwoord als we letten op de mogelijkheden om deze plagen in groepen in te delen. In dit artikel willen we deze Rabbijnse benadering van de tien plagen volgen.

    2. De tien plagen

    De tien plagen zijn samengevat de volgende:

    Nederlands
    Hebreeuws
    Hebreeuws

    (transcriptie)

    1
    water in bloed
    דָם
    dam
    2
    kikkers
    צְּפַרְדֵּעַ
    tsefardea
    3
    muggen
    כִּנִּים
    kiniem
    4
    steekvliegen
    עָרוֹב
    arov
    5
    veepest
    דֶּבֶר
    dewer
    6
    zweren
    שְׁחִין
    sechin
    7
    hagel
    בָּרָד
    barad
    8
    sprinkhanen
    אַרְבֶּה
    arbeh
    9
    duisternis
    חוֹשֶך
    choseg
    10
    dood eerstgeborenen
    מַכַּת בְּכוֹרוֹת
    makat bekorot

    3. Twee groepen van 5 plagen?

    Het ligt voor de hand om de plagen in twee groepen te verdelen. Net als bijvoorbeeld de tien geboden in twee delen te verdelen zijn. En we zien inderdaad een opvallend verschil tussen de eerste helft van de plagen en de tweede helft. In de eerste vijf plagen wordt steeds vermeld dat de farao zijn hart verhardde. Bij de zesde plaag lezen we voor het eerst dat de Heere het hart van de farao verhardde. En die opmerking wordt herhaald bij de achtste, negende en tiende plaag. In overzicht:

    1
    het hart van de farao is onvermurwbaar (2x)

    2
    farao maakte zijn hart onvermurwbaar

    3
    het hart van de farao verhardde zich

    4
    farao maakte zijn hart onvermurwbaar

    5
    het hart van de farao bleef onvermurwbaar

    6

    de Heere verhardde het hart van de farao
    7
    farao maakte zijn hart onvermurwbaar

    8

    Ik heb zijn hart onvermurwbaar gemaakt

    de Heere verhardde het hart van de farao
    9

    de Heere verhardde het hart van de farao
    10

    de Heere verhardde het hart van de farao

    4. Indeling van de parasja’s: 7 plus 3

    In de Joodse traditie is de thora verdeeld in 54 parasjot (meervoud van parasja). Een parasja is een deel van de thora. Elke sabbat wordt een parasja gelezen, en een enkele keer twee parasjot, zodat men in een jaar tijd de hele thora behandeld heeft. Elke parasja heeft een naam waarmee een parasja wordt aangeduid.

    Als we letten op deze indeling dan valt op dat de plagen van Egypte niet bij elkaar gehouden worden. De eerste zeven plagen horen bij de parasja wa-‘era (Ex. 6:2-9:35), de laatste drie plagen horen bij de parasja bo (Ex. 10:1-13:16).

    De Rabbijnen blijken een goede reden te hebben om een overgang te zien van de eerste zeven plagen naar de laatste drie. Bij de eerste 7 plagen lezen we hoe Mozes aan de farao opdraagt om Gods volk te laten gaan (Ex. 7:16; 8:1; 8:20; 9:1; 9:13). De farao weigert, en dan lezen we als toelichting bij de aankondiging van de zevende plaag (Ex. 9:13-16):

    Toen zei de HEERE tegen Mozes: Sta morgen vroeg op, ga voor de farao staan en zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE, de God van de Hebreeën: Laat Mijn volk gaan, zodat zij Mij kunnen dienen. Want deze keer zal Ik al Mijn plagen op uzelf, op uw dienaren en op uw volk afzenden, zodat u weet dat er op heel de aarde niemand is zoals Ik. Nu had Ik immers Mijn hand kunnen uitstrekken om u en uw volk met de pest te treffen, zodat u van de aarde uitgeroeid zou zijn. Maar juist hierom heb Ik u laten bestaan, om Mijn kracht aan u te tonen, zodat Mijn Naam bekendgemaakt zal worden op heel de aarde.

    De eerste zeven plagen waren gericht op het laten zien van de grootheid van God. Maar daarna wordt het blik vooruit gericht op de naderende uittocht. De dienaren van de farao smeken de farao om het volk te laten gaan en voor het eerst suggereert de farao dat hij erover wil onderhandelen (Ex. 10:7-11):

    De dienaren van de farao zeiden tegen hem: Hoelang zal deze man voor ons tot een valstrik zijn? Laat de mannen gaan, zodat zij de HEERE, hun God, kunnen dienen! Beseft u nog niet dat Egypte verloren is? Toen werden Mozes en Aäron weer bij de farao gebracht en hij zei tegen hen: Ga! Dien de HEERE, uw God! Wie precies zullen er gaan? En Mozes zei: Wij zullen met onze jongeren en ouderen gaan. Met onze zonen en dochters, met ons kleinvee en onze runderen zullen wij gaan, want wij hebben een feest voor de HEERE. Toen zei hij tegen hen: De HEERE moge net zo met u zijn als ik u en uw kleine kinderen laat gaan! Kijk uit, want er staat u onheil te wachten! Zo niet! Laat toch de mannen gaan, zodat zij de HEERE kunnen dienen, want dat is waar u om verzocht hebt! En men dreef hen weg van voor de farao.

    De farao wil nu wel de volwassenen laten gaan, maar zonder kinderen en kleinvee. Na de negende plaag mogen wel de kinderen mee, maar niet het kleinvee. Dit is de laatste ontmoeting van Mozes met de farao. Na de negende plaag is alles gericht op de naderende uittocht, waarbij alle mensen inclusief hun vee zullen vertrekken.

    Het is duidelijk dat de Rabbijnen een goede reden hebben om de 10 plagen te verdelen in 7 plus 3.

    5. Indeling in 5 maal 2

    De tien plagen blijken een opmerkelijke reeks te vormen. De eerste twee plagen zijn gerelateerd aan water: het water wordt bloed en uit het water komen kikkers. De volgende twee, muggen en steekvliegen, hebben betrekking op de aarde. Dan wordt het lichaam van dieren aangetast door veepest en van mensen door zweren. De volgende stap betreft de lucht met hagel en sprinkhanen. En tot slot krijgen we twee plagen die plaats vinden buiten de stoffelijke wereld, namelijk duisternis en de dood van de eerstgeborenen. De Egyptenaren hadden voor elk terrein hun eigen goden, maar hier laat God zien dat Hij macht heeft over de hele schepping, van het water beneden tot de lucht boven. Bij de eerste twee plagen zien we nog dat de magiërs van de farao het verschijnsel kunnen nadoen. Bij de derde proberen ze het wel, maar lukt het hun niet. En daarna proberen ze het ogenschijnlijk niet eens meer.

    6. Indeling in 3×3 + 1

    Het blijkt ook mogelijk te zijn om de eerste 9 plagen in te delen in groepen van 3. Daarbij moeten we letten op de waarschuwingen aan de farao. Voorafgaand aan de eerste plaag treft Mozes de farao aan de oever van de Nijl. Bij de vierde plaag gaat Mozes ‘voor de farao gaan staan’ terwijl de farao op weg is naar het water, en bij de zevende plaag moet hij ‘voor de farao gaan staan’. In alle drie gevallen ontmoet Mozes de farao vroeg in de morgen. Bij de tweede, vijfde en achtste plaag lezen we dat Mozes naar de farao moet gaan. En bij de derde, zesde en negende plaag wordt de farao helemaal niet gewaarschuwd van tevoren.

    Deze indeling in groepen zien we ook terug als we letten op degenen die last hebben gehad van de plagen. Bij de eerste drie plagen wordt nadrukkelijk aangegeven dat het hele land getroffen werd. Bij de vierde en zevende plaag wordt het land Gosen niet getroffen. Bij de vijfde en negende plaag is Israël uitgesloten.

    Deze indeling wordt nog eens geaccentueerd door de reactie van de Farao. Bij de vierde plaag geeft de farao in eerste instantie aan dat het volk mag gaan, mits het binnen het land blijft. Bij de zevende plaag mag het volk gaan. Daarna gaat de farao ogenschijnlijk onderhandelen met Mozes. Bij de achtste plaag mogen alleen de mannen gaan, dan moet het vee achterblijven en uiteindelijk gaat het hele volk met het vee.

    Samengevat ziet dit er als volgt uit.

    3+3+3+1
    3+3+3+1
    3+3+3+1

    1
    water in bloed
    oever Nijl, ochtend
    heel land

    2
    kikkers
    naar farao toe
    heel land

    3
    muggen
    geen waarschuwing
    heel land

    4
    steekvliegen
    voor de farao, op weg naar het water, vroeg
    Gosen niet
    binnen land
    5
    veepest
    naar farao toe
    Israel niet

    6
    zweren
    geen waarschuwing

    7
    hagel
    voor de Farao, vroeg
    Gosen niet
    geen beperkingen
    8
    sprinkhanen
    naar farao toe

    alleen mannen
    9
    duisternis
    geen waarschuwing
    Israel niet
    vee niet

    10
    dood eerstgeborenen
    geen waarschuwing

    iedereen, met vee

    6
    69
  2. Team John 👊👊👊 zegt:

    Nog even
    En dan lacht die Bolle niet meer.
    Het varken denkt onschendbaar te zijn
    Gaan we nog meemaken 😂😂

    1
    47
  3. Biggetje bengel, familie van Jan het varken🐷 zegt:

    Er was eens een oude vrouw, die in geen zeven jaar haar huisje geveegd had. Toen ze het deed vond ze een dubbeltje en voor dat dubbeltje kocht ze zich een biggetje. En dat biggetje heette Bengel. Toen Bengel ’s avonds in huis moest komen, riep de vrouw: “Bengel, in!” Maar Bengel wou niet naar binnen.

    Toen ging ze naar de hond en zei: “Hondje, wil je Bengel bijten? Want Bengel wil niet binnenkomen.” – “Nee,” zei het hondje.

    Toen ging ze naar de knuppel en zei: “Knuppel, wil je ’t hondje slaan? Want het hondje wil geen Bengel bijten en Bengel wil niet binnenkomen.” – “Nee,” zei de knuppel.

    Toen ging ze naar het vuur en zei: “Vuurtje, wil je knuppel branden? Want knuppel wil geen hondje slaan en hondje wil geen Bengel bijten en Bengel wil niet binnenkomen.” – “Nee,” zei het vuur.

    Toen ging ze naar het water en zei: “Water, wil je het vuurtje blussen? Want vuurtje wil geen knuppel branden, knuppel wil geen hondje slaan, hondje wil geen Bengel bijten en Bengel wil niet binnenkomen.” – “Nee,” zei het water. Toen ging ze naar de os en zei: “Os, wil je het water drinken? Want water wil geen vuurtje blussen, vuurtje wil geen knuppel branden, knuppel wil geen hondje slaan, hondje wil geen Bengel bijten en Bengel wil niet binnenkomen.” – “Nee,” zei de os.

    Toen ging ze naar de slager en zei: “Slager, wil je de os slachten? Want de os wil geen water drinken, water wil geen vuurtje blussen, vuurtje wil geen knuppel branden, knuppel wil geen hondje slaan, hondje wil geen Bengel bijten en Bengel wil niet binnenkomen.” – “Nee,” zei de slager.

    Toen ging ze naar het touw en zei: “Touw, wil je de slager ophangen? Want de slager wil de os niet slachten, de os wil geen water drinken, water wil geen vuurtje blussen, vuurtje wil geen knuppel branden, knuppel wil geen hondje slaan, hondje wil geen Bengel bijten en Bengel wil niet binnenkomen.” – “Nee,” zei het touw.

    Toen ging ze naar de muis en zei: “Muis, wil je het touw doorbijten? Want het touw wil geen slager ophangen, de slager wil de os niet slachten, de os wil geen water drinken, water wil geen vuurtje blussen, vuurtje wil geen knuppel branden, knuppel wil geen hondje slaan, hondje wil geen Bengel bijten en Bengel wil niet binnenkomen.” – “Nee,” zei de muis.

    Toen ging ze naar de kat en zei: “Kat, wil je de muis opeten? Want de muis wil geen touw doorbijten, het touw wil geen slager ophangen, de slager wil de os niet slachten, de os wil geen water drinken, water wil geen vuurtje blussen, vuurtje wil geen knuppel branden, knuppel wil geen hondje slaan, hondje wil geen Bengel bijten en Bengel wil niet binnenkomen.” – “Ja!” zei de kat.

    En de kat at de muis op, de muis beet het touw door, het touw hing de slager op, de slager slachtte de os, de os dronk het water, het water bluste het vuurtje, het vuurtje brandde de knuppel, de knuppel sloeg het hondje, het hondje beet Bengel en toen wilde Bengel eindelijk naar binnen.

    Het biggetje Bengel Samenvatting
    Een grappig sprookje over een varkentje dat niet wil binnenkomen. Een oude vrouw probeert haar varkentje Bengel met behulp van allerlei voorwerpen, dieren en mensen binnen te laten komen, maar

    4
    34
  4. Over de bedrogen duivel zegt:

    Lichtenvoorde waren eens een paar jongens in een café aan het kaarten. Het ging er grof naar toe en een van de jongens moest het kunnen maar verloor voortdurend, hoe mooi de kaarten ook waren die hij in zijn hand had. Het was of de duvel er mee speelde. Maar toen kreeg hij een hele mooie kaart in handen en hij zei in een overmoedige bui tot de anderen: “Dit keer kunnen jullie mij niets maken. Ik heb nu zo’n mooi spel in handen, dat ik dit spelletje zeker win. En als ik mocht verliezen, dan mag mij de duvel komen halen.”

    Het is natuurlijk nooit verstandig de duivel op te roepen, want je kunt maar nooit weten. En zo ook in dit geval. Het bleek dat een van zijn makkers nog betere kaarten had dan de jongen en weer moest hij het loodje leggen. Zijn makker troefde hem weer af en de jongen moest nogmaals betalen. Terwijl hij dat een beetje mismoedig deed, korzelig over de pech, die hem achtervolgde, werd er op de deur geklopt. Toen er “binnen” werd geroepen, stond daar in de deuropening de duivel, die grijnsde. “Ik ben hier geroepen,” zei hij. “Ik zou iemand komen halen, als hij zijn spel bij het kaarten zou verliezen. Welnu, hier ben ik.” De jongens schrokken geweldig en vooral degene, die zo overmoedig was geweest om hem op te roepen. “Nu vlug maar een beetje,” zei de duivel. “Ik heb geen eeuwen de tijd. Kom mee.”

    De jongen, die verspeeld had bij het kaarten, graaide zijn kaartcenten bij elkaar, want je kon nooit weten, hoe je ze nog nodig had, en deed ze in een grote leren knip, die hij bij zich stak. “Nou, als het dan moet wezen, dan moet het maar,” zei hij. Hij groette zijn makkers en ging met de duivel mee. De anderen bleven verschrikt achter en dachten dat ze hem nooit terug zouden zien.

    Toen de jongen zo naast de duivel voortliep, het was niet stikdonker buiten, omdat zo nu en dan de maan achter de wolken heen kwam kijken, bedacht hij zich hoe hij de duivel te slim af zou kunnen zijn. Veel zin om met de duivel mee te gaan, had hij niet en hij was iemand, die anderen vaak te slim af was. Behalve dan die avond bij het kaarten.

    Hij vroeg aan de duivel: “Ik heb gehoord, dat je alles kunt? Is dat zo?”Natuurlijk,” zei de duivel. “Ik kan alles. Daar ben ik duivel voor.”

    “O,” zei de jongen. “Ik dacht, dat zo maar een beetje grootspraak was.”

    “Wis en waarachtig niet,” zei de duivel weer. “Ik kan alles. Zeg maar wat ik doen moet.”

    “Nou, ja,” zei de jongen, “kun je je dan ook heel groot maken. Veel groter dan de andere mensen. Zoals die… nou ja, zoals die populieren hier langs de weg.”

    In het maanlicht glinsterden de bladeren van de populieren en de bladeren ratelden in de avondwind.

    “O, dat kan ik best,” zei de duivel en ‘roeftie’ daar stond een grote populier midden op de weg.

    De jongen keek omhoog en hij moest zijn hoofd ver in de nek houden, zo hoog was de boom.

    “Je kunt er wat mee,” zei hij bewonderend. “Dat had ik niet gedacht. Maar ik zie nou, dat je het werkelijk kunt.” De duivel maakte zich weer klein en nam zijn gewone menselijke gestalte weer aan. Hij grinnikte. “Zie je wel, dat ik alles kan,” zei hij.

    Ze liepen een ogenblikje zwijgend verder, tot de jongen weer begon.

    “Dat van die populier vind ik erg knap,” zei hij. “Maar toch lijkt me dat nog niet het moeilijkste. Een beetje uitrekken, de armen hoog opsteken en de nek een beetje langer maken. Dan kom je al een heel eind. Na een beetje oefening zou ik dat ook misschien wel kunnen. Maar klein maken, heel klein maken. Dat lijkt me veel moeilijker.”

    De duivel, die zich een beetje ergerde aan de geringschattende manier waarop de jongen over zijn kunst sprak, antwoordde: “Natuurlijk kan ik dat ook. Ik kan me net zo klein maken als ik wil. Zeg maar wat ik moet doen.”

    “Nou ja, maak je dan eens zo klein, zo klein als een knikker bijvoorbeeld.”

    Meteen rolde er al een knikker over het pad. De jongen deed een vlugge greep en had de knikker in zijn hand en stopte die snel in de beurs, die hij in zijn zak droeg. Hij sloot de beurs zorgvuldig en omdat de sluiting kruiselings over elkaar sloot, kon de duivel er niet meer uit. Hij raasde en tierde, dat de jongen hem vrij moest laten en voorspelde hem alle straffen uit de hel, als hij niet onmiddellijk verlost werd. Maar de jongen klopte eens een keer op het leer van de beurs en zei: “Blijf daar maar mooi zitten. Ik heb je mooi gevangen. Ik ga terug naar mijn makkers en dan zullen we wel eens zien wat we met je doen.”

    Doodbedaard stak hij de knip in zijn zak en liep terug naar het café waar hij aan het kaarten was geweest. “Zo,” zei hij, “daar ben ik weer,” toen hij de deur kwam binnenstappen, waar zijn makkers en de waard nog helemaal beduusd bij elkaar zaten en het geval bespraken. Ze wisten niet wat ze zagen. “Ik heb de duvel gevangen, in plaats van hij mij,” zei de jongen. “Hier zit hij in,” en nonchalant gooide hij zijn beurs op tafel, die werkelijk bewoog en van waaruit geschreeuw kwam. “Nu zullen we moeten bedenken, wat we met hem zullen doen. Want als ik hem vrij laat, grijpt hij mij opnieuw en dan gaat het mij natuurlijk niet zo best.”

    Ze bespraken het geval met elkaar en een kwam er met het voorstel om in de eerste plaats de duvel eens flink af te ranselen. Daar zou hij meteen van opknappen. Ze haalden allemaal een flinke dikke knuppel, een spijl waaraan de worsten werden opgehangen in de schoorsteen en toen kreeg de duivel een pak slaag zoals hij nog nooit had gehad. Ze ranselden flink los op de beurs, die ze op tafel hadden gelegd, maar ze zorgden er wel voor, dat ze de sluiting niet raakten, zodat die open zou springen. Eerst schreeuwde de duivel vanuit de knip allerlei bedreigingen. Hij zou ze dit en hij zou ze dat, maar al gauw kermde hij van de pijn, want het waren een paar stevige knapen, die de stok hanteerden. Toen begon de duivel zoete broodjes te bakken. Hij beloofde dat hij hen niets zou doen, als ze hem los lieten. En ook de jongen die hem gevangen had, zou vrijuit gaan. Afijn, na nog een paar flinke meppen op de beurs, maakten ze de sluiting open. De duivel schoot de knip uit en vloog door de schoorsteen naar buiten, alsof hij vuur in zijn broek had. Hij hield zijn woord en de jongens konden vrijuit gaan en ze hebben hem niet terug gezien.

    Maar de jongen, die hem opgeroepen had, paste in het vervolg toch beter op zijn woorden en heeft hem nooit meer opgeroepen.

    De bedrogen duivel Samenvatting
    Een duivelsprookje over kaartspelers uit Lichtenvoorde (Oost Gelre). Een aantal jongens zitten te kaarten in een café, wanneer er een zegt dat de duvel hem mag komen halen als hij weer verliest. Als hij inderdaad verliest, is iedereen verbaasd als even later de duivel in eigen persoon aanklopt. Toch is de jongen hem te slim af door te vragen of hij zich heel klein kan maken…

    4
    26
  5. Verificatie systeem zegt:

    Haha geweldig dit. Nu nog een foto met die stiefvader erbij dan.

    Zoals we helaas zien werkt die Akismet voor geen meter, en gooien jullie onnodig geld naar de maan. Dat verificatie systeem maak ik gratis en voor niks. Dennis, mail mij ff die page dit formulier post.

    4
    2
  6. Jakko Snip zegt:

    Jan laat zich niet graag zien in Glibberbrug nadat hij de lokale bevolking aldaar al maanden voor achterlijk inteelt volk uitmaakt. Ik zou het ook niet doen als ik hem was. Jan is uiteindelijk toch wel een Hollander en het contrast tussen Dennis en Jan maakt Roddelpraat nou juist zo’n dikke vette hit. We XXX Roddelpraat.

    8
    0
  7. Pieter Zand zegt:

    Een echte kerel is niet bang voor een schrammetje of meer en ons Dennis is een echte kerel in tegenstelling tot de snowflake softies cultuur waar we nu in gedwongen worden. Dennis XXX

    8
    0
  8. Over Job enzo zegt:

    HEB je geen medelijden met deze zieke man? Hij heet Job en zijn vrouw staat bij hem. Weet je wat zij tegen Job zegt? ’Vervloek God en sterf!’ Laten wij eens zien waarom zij dat zegt en waarom Job zoveel moet lijden.

    Job was een getrouw man, die Jehovah God gehoorzaamde. Hij woonde in het land Uz, niet ver van Kanaän. Jehovah hield veel van Job, maar iemand anders haatte hem. Weet je wie?

    Dat was Satan de Duivel. Je weet nog wel dat Satan de slechte engel is die Jehovah haat. Het lukte hem om Adam en Eva ongehoorzaam aan Jehovah te laten zijn en hij dacht dat hij ook alle andere mensen zover zou kunnen krijgen. Maar lukte hem dat? Nee. Denk maar eens aan de vele getrouwe mannen en vrouwen over wie wij al gehoord hebben. Hoeveel kun je er nog opnoemen?

    Nadat Jakob en Jozef in Egypte gestorven waren, was er op de hele aarde geen mens die Jehovah zo trouw was als Job. Jehovah wilde Satan bewijzen dat hij niet iedereen slecht kon maken, daarom zei hij: ’Kijk maar naar Job. Zie eens hoe trouw hij mij is.’

    Satan antwoordde: ’Hij is trouw omdat u hem zegent en hij veel goede dingen heeft. Maar als u hem alles afneemt, zal hij u vervloeken.’

    Daarom zei Jehovah: ’Goed, neem hem alles af. Je mag met hem doen wat je wil. Alleen mag je hem niet doden.’

    Jobs vrouw die wanhopig kijkt naar de zieke Job
    Eerst werden door toedoen van Satan Jobs runderen, ezelinnen en kamelen geroofd en zijn schapen gedood. Toen doodde hij Jobs 10 zonen en dochters in een storm. Daarna sloeg hij Job met deze vreselijke ziekte. Job moest heel veel lijden. Daarom zei zijn vrouw tegen hem: ’Vervloek God en sterf!’ Maar Job vervloekte God niet. Ook kwamen er nog drie valse vrienden, die zeiden dat hij wel slecht geleefd zou hebben. Maar Job bleef trouw.

    Dit maakte Jehovah erg gelukkig en later zegende hij Job, zoals je op het plaatje kunt zien. Hij genas hem van zijn ziekte. Job kreeg weer 10 knappe kinderen en tweemaal zoveel runderen, schapen en kamelen als hij daarvoor had.

    Zul je Jehovah net zo trouw blijven als Job? Als je dat doet, zal God ook jou zegenen. DE MANNEN hier dwingen de mensen om te werken. Kijk eens naar de man die een werker met de zweep slaat! De werkers behoren tot Jakobs familie en worden Israëlieten genoemd. De anderen zijn Egyptenaren. De Israëlieten zijn slaven geworden van de Egyptenaren. Hoe is dit gekomen?

    Jakobs grote familie woonde jarenlang rustig in Egypte. Jozef zorgde voor hen. Hij was na Farao, de koning, de belangrijkste man in Egypte. Maar toen stierf Jozef. Ook werd een nieuwe Farao koning van Egypte. Deze moest niets van de Israëlieten hebben.

    Deze slechte Farao maakte de Israëlieten tot slaven. Hij stelde gemene en wrede mannen over hen aan. Zij dwongen de Israëlieten om heel hard te werken en steden voor Farao te bouwen. Toch kwamen er steeds meer Israëlieten. Ten slotte werden de Egyptenaren bang dat er te veel Israëlieten zouden komen en dat zij te sterk zouden worden. Weet je wat Farao toen deed? Hij sprak met de vrouwen die de Israëlitische moeders bij de geboorte van hun kinderen hielpen. Hij zei: ’Jullie moeten elk jongetje dat geboren wordt, doden.’ Maar het waren goede vrouwen en zij doodden de kinderen niet.

    Daarom gebood Farao zijn hele volk: ’Maak alle pasgeboren Israëlitische jongetjes dood. Laat alleen de meisjes leven.’ Was dat geen wreed bevel? Laten wij nu eens zien hoe één van die kleine jongetjes werd gered.

    1
    10
  9. No more Sjon&Sjonnie zegt:

    Jantje en Schouten kleuter hebben maar Een agenda: Ikke, ikke, ikke. Al het andere is chickenshit en kan stikke. Dusse vergis je niet. Apres nous le deluge (ff opzoeken dit google)

    2
    11
  10. Jan het alcoholistische haatvarken 🐷 zegt:

    Zo nu even afpilsen met alle biertjes hieronder van jullie donaties
    Ga zo door hik burph hik
    🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺🍺
    Maar rustig aan hik hik
    Anders heb ik morgenvroeg geen bier voordat de gall & gall open gaat
    Hik hik burph

    3
    10
  11. Jan Roos 🐷🍺uit zijn dagboek zegt:

    Ik behoor tot de categorie die vanaf het eerste glas al z’n zinnen op de drank zet. Noem ’t ‘alcohol minded’; de ontdekking dat dit een perfect middel is, waarbij de wereld, voor je gevoel dan, ineens perfect in elkaar komt te zitten. Ik heb die ontdekking gedaan toen ik dertien was, op een familie feestje. Bij ons thuis werd geen alcohol gedronken. Misschien was dat een reactie op het feit dat mijn grootvader alcoholist was. Op dat feestje, één van mijn stiefbroers die achttien was had zich verloofd en in het huis van zijn aanstaande schoonfamilie werd cola-tic gedronken. De ouderen zaten beneden en de jongeren zaten boven met de draaitafel en de eerste Beatles lp. En ik kreeg, stiekem, ook een glaasje te pakken. Dat sloeg gelijk aan. Dat warme overrompelde gevoel dat omhoog kruipt uit de maagstreek en het lekkere gevoel in je hoofd daarna.

    Mijn moeder is vroeg gestorven, ik was toen negen jaar. Een paar jaar daarna kreeg mijn vader kennis aan een weduwe met ook twee zoons. Samen met mijn vader en oudere broer verhuisden wij naar de andere kant van Amsterdam en trokken bij hun in. Van de ene op de andere dag een gezin met zes personen waarvan ik de jongste was. Persoonlijk vond ik het de eerste paar maanden wel leuk maar het is te mooi om te geloven dat dit per definitie goed zou gaan. Mijn eigen broer vertrok al heel snel en trok in bij mijn grootouders. Op mijn vijftiende, bijna zestien, ben ik gaan werken als jongste bediende in de fotografiehandel. Toen ik mijn eerste maandsalaris had ontvangen, contant uitbetaald in zo’n doorzichtig pergamijn zakje, eiste mijn stiefmoeder dit op. In de deuropening heb ik gezegd dat dit niet zou gebeuren, ben vertrokken en ook bij opa en oma ingetrokken.

    Net zeventien geworden kon ik een kamer huren in een souterrain op de prinsengracht. Kreeg zelf de vrije hand in alles en ondanks mijn jonge leeftijd verdiende ik een vorstelijk salaris en kon prima in mijn eigen onderhoud voorzien. Drie avonden per week naar school want ik moest natuurlijk nog wel het nodige bijleren. Het was in de tweede helft van de zestiger jaren. Provo en een nieuwe kijk op de samenleving. De goegemeente werd wakker geschud. Paradiso en Fantasio opende hun deuren en een nieuwe leefstijl werd ontwikkeld. In mijn nieuwe vriendenkring werd hasj gerookt en tot op de dag van vandaag ben ik hier altijd een liefhebber van geweest. Ook de andere geestverruimende genotsartikelen werden tot genoegen uitgeprobeerd. Aanvankelijk werd in de scene geen alcohol gedronken. Dat was in eerste instantie not-done, alcohol en blowen tegelijk, maar mettertijd veranderde dat. Vanaf mijn negentiende- twintigste deed de alcohol zijn intrede op de feesten en ben ik geleidelijk aan gaan drinken. Stevig zelfs in verhouding tot mijn leeftijdgenoten. In het begin zo’n tien glazen bier op een avond. Dat was toen veel. Later is tien glazen niets meer. Die heb je dan alleen al nodig om de eerste dorst weg te werken en in later jaren om de onthoudingsverschijnselen de kop in te drukken. Pas daarna voel je je weer een beetje normaal terwijl een ander dan al met z’n kin op de bar hangt. Dat ik zoveel kon drinken had ook te maken met dat ik nooit ‘katers’ heb gehad. Dat zie je vaker bij ‘broeders van de natte gemeente’. Zodoende had ik ook geen enkele reden om minder te drinken. Ik had er de volgende dag geen last van en kon gewoon naar mijn werk. Pas veel later kwamen die onthoudingsverschijnselen, maar katers, nee. Ik werd ook nooit ziek van alcohol; ging ondanks mijn grote alcoholconsumptie nooit af bij vrienden en vriendinnen omdat ik lag te kotsen in het toilet. Ik heb dus nooit die rem gehad, zo van de volgende keer maar eens wat rustiger aan doen. Ze hebben me nooit naar huis hoeven dragen, ook later niet.

    Vervolgens had ik al snel een vriendenkring opgebouwd waarin stevig werd geconsumeerd. Ik weet niet of dat toevallig is of dat je dat zelf zo uitzoekt, maar het was wel zo. Veel studenten, kunstenaars en ander ongeregeld, ik viel dus niet echt op. Het breekpunt kwam kort voor de eerste opname. Toen begreep ik eigenlijk voor het eerst dat ik wat te ver heen was, dat ik aan de ‘limit’ zat. Dat ik daarvoor al veel meer dronk dan een ander had me nooit eerder aan het denken gezet. Wat dat betreft ben ik er met open ogen ingetuind. Zeker in die tijd was er weinig informatie beschikbaar over alcoholisme, in tegenstelling tot de grote hoeveelheid informatie over drugs. Wat ik wel had gelezen waren allerhande boeken over verdovende middelen en de risico’s daarvan. Die gevaren kende ik wel. Maar wat wist ik nou over alcohol? Natuurlijk had ik wel eens verhalen gehoord over drankzuchtige types die in de goot lagen. Maar dat was de ver van mijn bed show. Je denkt er niet bij na dat iemand van zevenentwintig ook al verslaafd kan raken aan de drank.

    Toen ik een jaar of éénentwintig was ben ik bij de krant gaan werken. Nou het leek wel of ze daar het hadden uitgevonden. Om twaalf uur in de lunchpauze gingen we naar het café en werden er een paar glazen bier gedronken, dat was normaal! Na een glansrijke carrière ben ik na ruim vijf jaar overgestapt naar het cafébedrijf. Dat is natuurlijk de droom van iedere alcoholist; een vis in het water. Daar heb ik in korte tijd mijn verslaving vervolmaakt. Ik begon constant te drinken. De basis daarvoor was in m’n vorige baan al gelegd. Want, zoals bekend, wordt ook in de krantenwereld flink geconsumeerd. Dat zal tegenwoordig wel anders zijn(?) Dat ik daar weg ging had niet direct met mijn drankprobleem te maken. Toen ik in de ziektewet zat had de bedrijfsarts niet in de gaten wat er werkelijk aan schortte. Hij geloofde mijn verhaal dat ik overwerkt was, ondanks het feit dat ik al met een flinke kegel de spreekkamer binnenstapte. Dat vond hij blijkbaar normaal voor iemand die bij een krant werkt. Die man bleek niet in staat om door mijn smoes heen te prikken, ik moest maar eens een maandje thuis blijven, vond hij. In die maand ben ik in dat café begonnen. Verdiende daar pakken geld en kon vrij drinken. Op de krant hebben ze me niet meer terug gezien. Pas na drie maanden kreeg ik een ontslagbrief, die ik achteraf bezien, nog had kunnen aanvechten. Daarna ging het snel bergafwaarts. Alles kwam tegelijk. Dat café ging dicht en mijn eerste vriendin waar ik inmiddels vijf jaar mee samenwoonde pakte haar boeltje. Plotseling zat ik zonder geld. Van de Sociale Dienst had ik wel eens gehoord maar ik wist echt niet hoe dat werkte. Ik gunde me bovendien de tijd niet om daar uren in een wachtkamer te zitten, daar was mijn dorst te groot voor. Ik had dringend hulp nodig maar dacht er niet aan bij een consultatiebureau aan te kloppen.

    Toen heb ik een GGD arts gebeld die ik nog uit mijn jeugd kende. Die doorzag de situatie ogenblikkelijk en heeft mij naar het Jellinek centrum verwezen. Daar hebben ze mij eerst een tijd ‘ambulant’ behandeld. Dat heeft geresulteerd dat ik drie maanden van de drank ben afgebleven. Omdat ik het niet vol hield is toen besloten dat ik maar opgenomen moest worden, drie maanden in de kliniek. Na die eerste opname heb ik twee jaar min of meer ‘droog’ gestaan. Min of meer: na een jaar begon ik stiekem af en toe weer te drinken. Dat moest wel stiekem gebeuren omdat mijn tweede vriendin dat niet accepteerde. Zij heeft mij, toen ik in de kliniek zat opgezocht en symbolisch gezegd er uitgehaald. We gingen ook gelijk samenwonen. Zij wist vrij veel van alcohol en bij haar hoefde ik niet met smoesjes aan te komen. Zou ik weer gaan drinken, dan zou dat voor haar ’t einde betekenen. Die druk heeft me ruim een jaar droog gehouden. Dat was op zichzelf al een fout uitgangspunt: als jij droog blijft om iemand anders tevreden te stellen, dan is jouw poging gedoemd te mislukken. Dat kan een tijd duren, maar het gebeurt! En zo verging het mij ook. Twee jaar na de eerste opname, ik was toen achtentwintig, liep het weer spaak. Om allerlei redenen had ook mijn tweede vriendin haar koffers gepakt en nog dezelfde avond kon het feest weer beginnen. Ik deed weer mee, praktijk hervat

    Maar op een gegeven moment ga je onherroepelijk weer voor de bijl. Simpel en alleen om het feit dat je nog niet geaccepteerd hebt dat je niet meer kan en mag drinken. Zonder die acceptatie lukt het gewoon niet. Dat is ook de reden waarom zoveel alcoholisten, ’t zij kort dan wel lang na een opname weer de mist ingaan. En dat is ook de reden waarom ik twee jaar na mijn eerste opname weer met drinken begonnen ben. Dàt, en het feit dat ik mijn levensstijl niet had aangepast. Dan red je het niet met een Spa rood in je hand.

    Die twee jaar na de eerste opname was ik werkloos. Daar kon ik absoluut niet tegen, ik werd er gek van. Bij de Sociale Dienst heb ik zelfs aangeboden om desnoods maar bomen te gaan kappen in het Amsterdamse Bos, als ik maar wat om handen had. Het gekke is dat juist op het moment dat ik weer begon met drinken, er een baan in zicht kwam. Dat heeft toen wel degelijk een remmende invloed gehad. Ik heb me echt een tijd ingehouden. Voor mij hing alles af van die baan als fotograaf bij de universiteit.

    In de universiteit was destijds een ‘bruin café’. Op vrijdagmiddag rond een uur of vier gingen de chef en collega’s de week afsluiten. Een gezellig samenzijn rond de tap, socialer kan het niet. Gelukkig schonk de bar ook een prima cappuccino en de eerste vrijdagen kon ik me daar mee redden. Vertelde natuurlijk niet dat het feitelijk beter voor mij was geen alcohol te gebruiken. Op een gegeven moment ter ere van het gereed komen van een audiovisueel trainingsprogramma werd dit ook even nat gemaakt in het bruine café. Doet u mij maar een kleintje bier. We hadden een toneelstuk gefilmd opgevoerd door studenten van de faculteit Frans. Daar speelde een aantal studentes in van rond mijn leeftijd waarvan er eentje voor mij er uitsprong. En juist die studente werkte een paar keer per week in dit bruin café, als bijbaan rond het bitteruur. Zij nodigde mij uit voor haar feestje gehouden in de soos en na twee weken kwam ze bij me wonen. Alles bij elkaar kon het niet beter. Het heeft al met al dan ook vijf jaar geduurd voor ik aan m’n volgende opname toe was. Wel begon ik geleidelijk aan weer meer te drinken, met alle gevolgen van dien. Na verloop van tijd begon mijn buitensporige ziekte verzuim natuurlijk wel op te vallen. Toch dacht ik daar niet echt bij na. De ernst ervan drong niet tot me door. In feite had ik dus van de eerste opname geen moer geleerd.

    Ik verzon de gekste trucs en de mooiste smoezen om de oorzaak van mijn werkverzuim te camoufleren. In het begin lukte dat. Maar het laatste jaar liep ’t op alle fronten fout. Mijn absentie begon echt in de gaten te lopen. Ik kon m’n werk niet meer naar behoren doen. Men merkte dat ik veel dronk, al deed ik dat nooit onder werktijd. Ik kreeg last van onberedeneerde angstgevoelens. Van een rinkelende telefoon sprong ik al een meter de lucht in. En die angsten werkte ik weer weg met nieuwe ladingen drank, zónder dat ik in de gaten had dat het onthoudingsverschijnselen waren die de alcohol veroorzaakte. Door een samenloop van omstandigheden – want zo gaat dat meestal – belandde ik voor de tweede keer in de Jellinek kliniek. Na twee jaar kon m’n geliefde studentje het niet meer aan en vertrok. Mijn baan stond op springen.

    Ik had in mijn directe omgeving bijna alle schepen achter me verbrand, telefoon, gas en licht waren afgesneden en ik had geen rooie cent meer. ’t Waren dus weer de externe, zeg maar de ‘sociale’ omstandigheden, en niet de drank zelf, die me daar terecht deden komen. Ook die tweede keer was ik nog niet echt gemotiveerd om van de drank af te komen. Die motivatie kreeg pas een beetje vorm tijdens deze opname die ruim drie maanden geduurd heeft. Toen pas heb ik heel serieus geaccepteerd dat ik niet meer kon drinken, maar dan ook geen druppel. Inmiddels was ik tweeëndertig en wat rijper. En wat het belangrijkste was: ik had mijn baan nog en ik had collega’s die het heel goed oppakten. Want die zijn, als je droog blijft, haast nog blijer dan je zelf bent. Die motivatie groeide ook toen ik zag dat nuchter de zaken lekkerder lopen.

    Duidelijk werd dat de kick van de drank in geen verhouding stond tot de horror en ellende van de onthoudingsverschijnselen waarmee ik in de laatste fase te kampen had.

    De kick van het nuchter zijn was voor mij ineens veel groter.

    Van de drank afkomen lukt niet door alleen maar van die fles af te blijven. Je zult je leefpatroon, dat helemaal geconcentreerd was rond dat drinken, anders moeten opbouwen. Je moet een nieuw leven beginnen. Doe je dat niet, dan struikel je. Onherroepelijk! Inmiddels ben ik vierenzestig geworden.

    Hoe is het me vergaan na die tweede opname? Negen jaar volledig abstinent van alcohol. Naast mijn reguliere baan bij de universiteit heb ik in eigen beheer een aantal audiovisuele producties gerealiseerd voor diverse organisaties o.a. veel voor SOS-Kinderdorpen. Hiervoor heb ik veel gereisd naar Azië en midden Amerika. Een aantal jaren alleen gewoond, verdiende bij elkaar behoorlijk goed, veel buiten de deur gegeten, het zonder (vaste) vrouw leven beviel me prima tot dat ik een vrouw tegen kwam op een bijscholingscursus voor specialistische fotografie. Zij was ook fotograaf en werkte ook bij een academische instelling. Het was niet gelijk raak want zij had nog een relatie. Op een gegeven moment brak wel het lint van rustig afwachten en we gingen samen een weekend op pad buiten Amsterdam. Spannend samen in een hotel, samen in bed. Zij dronk rode wijn en ik kon niet achterblijven. In de roes van liefde en samen plezier maken, naast het gedeeltelijk samen werken had ik te laat in de gaten inmiddels weer op de glijbaan terecht te zijn gekomen. Vijf jaar heb ik het vol gehouden, net niet teveel drinken zodat je nog op de been blijft. Na vijf jaar knalde de relatie. We stimuleerde elkaar in het drinken i.p.v. elkaar te remmen. Het verschil was dat ik wel wist wat een alcoholverslaving betekent en zij niet. Ik heb haar daarna nooit meer gezien. Zelf dacht ik met een korte detox opname het wel weer te redden, ja voor een paar weken. Meerdere korte opnamen gehad en nog een lange van drie maanden.

    Daarna ging het weer jaren goed, geen druppel. Enkele korte relaties totdat een nieuwe dame zich meldde. Een vrouw werkzaam in het cafébedrijf en die goed kan koken. Dit kan ik in de tegenwoordige tijd schrijven omdat ik nu nog steeds meer haar samenwoon, ik geloof al bijna twintig jaar. En de laatste tien jaar leef ik zo goed als 100% abstinent van alcohol en voel me redelijk tevreden. Tevreden, ja. Ik kan leven zonder drank al is het soms laveren.

    De meeste mensen hebben geen idee hoe moeilijk het is om van de fles af te blijven, juist omdat drinken zo gewoon is.

    Iemand die niet drinkt, daar zit een luchtje aan. Dat vind ik zelf eigenlijk ook nog steeds, ja. Tenminste, als ik weet dat zo iemand geen alcoholist is en daarom niet drinkt. Echt zwakke momenten heb ik niet. Niet in die zin dat ik over straat loop en plotseling dorst krijg. Ik heb ook niet de illusie dat ik ooit weer ‘sociaal’ zal kunnen drinken, de droom van veel alcoholisten, want ik weet dat bij de eerste druppel de grote dorst weer zal worden geboren. En die blijft zuigen.

    4
    9

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.