’Dennis Schouten betrokken bij steekpartij’

Dennis-Schouten-oranje-wortel

Nondeju! Wat is er gebeurd zeg. Is onze Dennis neergestoken? Leeft ie nog wel? Wat is er aan de hand? Jan zegt elke week tegen Dennieboy dat ie moet uitkijken in Glanerbrug. Dat is verdikke het Compton van Nederland. Daar zijn drive-by shootings meer dan normaal. Iedereen aan de crack. Vrouwen goedkoop en mannen onbetrouwbaar.

Maar hij zegt zelf dat er niets aan de hand is, nou dan is er vast niets aan de hand.

WhatsApp Image 2022 07 03 at 12.49.34 AM
Schermafbeelding 2022 07 03 om 10.04.00

58 reacties op “’Dennis Schouten betrokken bij steekpartij’

  1. De tien geboden zegt:

    In de derde maand, op precies dezelfde dag dat ze uit Egypte waren weggetrokken, kwamen de Israëlieten in de Sinaiwoestijn. Ze waren vanuit Refidim verder getrokken en in de Sinaiwoestijn gekomen. Daar sloegen de Israëlieten hun kamp op, vlak bij de berg.

    Mozes ging de berg op, naar God. De Heer riep hem vanaf de berg toe: “Zeg tegen het volk van Jakob, laat de kinderen van Israël weten: “Jullie hebben gezien hoe ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe ik je op adelaarsvleugels gedragen heb en je hier bij mij heb gebracht. Als je mijn woorden ter harte neemt en je aan het verbond met mij houdt, zul je een kostbaar bezit voor mij zijn, kostbaarder dan alle andere volken – want de hele aarde behoort mij toe. Een koninkrijk van priesters zul je zijn, een heilig volk.” Breng deze woorden aan de Israëlieten over.”

    Mozes ging terug, riep de oudsten van het volk bijeen en deelde hun alles mee wat de Heer hem had opgedragen. En het hele volk antwoordde als uit één mond: “We zullen alles doen wat de Heer heeft gezegd.” Mozes bracht het antwoord van het volk aan de Heer over, waarop de Heer tegen hem zei: “Ik kom naar je toe in een donkere wolk, dan kan iedereen het horen wanneer ik met je spreek en zullen ze voor altijd vertrouwen in je hebben.”

    Toen Mozes de Heer vertelde wat het volk had geantwoord, zei de Heer hem ook: “Ga terug naar het volk en zorg ervoor dat ze zich vandaag en morgen heiligen, en laten ze hun kleren wassen. Bij het aanbreken van de derde dag moeten ze gereed zijn, want op die dag zal de Heer voor de ogen van heel het volk neerdalen op de Sinai. Geef aan tot waar het volk mag komen, en waarschuw hen dat ze de berg niet op gaan; zelfs de voet daarvan mogen ze niet betreden. Wie zich op de berg waagt, moet ter dood gebracht worden. Zo iemand mag met geen vinger aangeraakt worden; hij moet worden gestenigd of met pijlen doorboord. Of het nu mensen of dieren betreft, ze mogen niet in leven blijven. Pas als het geluid van een ramshoorn weerklinkt, mogen ze de berg op gaan.”

    Weer ging Mozes naar beneden, naar het volk. Hij droeg hun op zich te heiligen en hun kleren te wassen. “Zorg ervoor dat u overmorgen gereed bent,” zei hij, “en dat u in de tussentijd geen gemeenschap hebt met een vrouw.”

    52
    212
  2. Deel 2 zegt:

    Op de derde dag, bij het aanbreken van de morgen, begon het te donderen en te bliksemen, er hing een dreigende wolk boven de berg, en zeer luid weerklonk het geschal van een ramshoorn. Iedereen in het kamp beefde. Mozes leidde het volk het kamp uit, God tegemoet. Aan de voet van de berg bleven ze staan.

    De Sinai was volledig in rook gehuld, want de Heer was daarop neergedaald in vuur. De rook steeg op als de rook uit een smeltoven, en de berg trilde hevig. Het geschal van de ramshoorn werd luider en luider. Mozes sprak, en God antwoordde met geweldig stemgeluid.

    De Heer was op de top van de Sinai neergedaald. Hij vroeg Mozes naar hem toe te komen, en Mozes ging naar boven. De Heer zei tegen Mozes: “Ga naar beneden en waarschuw het volk dat ze niet te dichtbij komen in de hoop de Heer te zien, want dan zullen velen van hen het leven verliezen. Ook de priesters, die gewoonlijk wel in de nabijheid van de Heer mogen komen, moeten op eerbiedige afstand blijven, anders zal de toorn van de Heer tegen hen losbarsten.”

    Mozes antwoordde de Heer: “Het volk kan de Sinai niet op gaan. U hebt ons immers zelf bevolen de berg af te grenzen en als heilig te beschouwen.” De Heer zei: “Ga naar beneden, en kom samen met Aäron weer terug. Maar de priesters en het volk mogen niet dichterbij komen, zij mogen de berg niet op gaan, anders zal mijn toorn tegen hen losbarsten.” Mozes ging terug naar het volk en bracht hun dit over.

    Toen sprak God deze woorden:

    “Ik ben de Heer, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij, heeft bevrijd.

    Vereer naast mij geen andere goden.

    Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de Heer, uw God, duld geen andere goden naast mij. Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht.

    Misbruik de naam van de Heer, uw God, niet, want wie zijn naam misbruikt laat hij niet vrijuit gaan.

    11
    93
    • Henk zegt:

      Donderstraal alsjeblieft op met die kut verhalen uit een boek wat alleen maar ellende brengt, net als alle andere zelfde soort boeken, optyfstralen met dat schijnheilige grafvolk

      18
      9
    • claus zegt:

      Wordt het niet eens heel erg tijd voor een psychiater? Je bent echt niet helemaal bien in de bovenkamer hoor en dit wordt alleen maar erger.
      Het is goed bedoeld.

      2
      0
  3. Deel 3 alweer zegt:

    Houd de sabbat in ere, het is een heilige dag. Zes dagen lang kunt u werken en al uw arbeid verrichten, maar de zevende dag is een rustdag, die gewijd is aan de Heer, uw God; dan mag u niet werken. Dat geldt voor u, voor uw zonen en dochters, voor uw slaven en slavinnen, voor uw vee, en ook voor vreemdelingen die bij u in de stad wonen. Want in zes dagen heeft de Heer de hemel en de aarde gemaakt, en de zee met alles wat er leeft, en op de zevende dag rustte hij. Daarom heeft de Heer de sabbat gezegend en heilig verklaard.

    Toon eerbied voor uw vader en uw moeder. Dan wordt u gezegend met een lang leven in het land dat de Heer, uw God, u geven zal.

    Pleeg geen moord.

    Pleeg geen overspel.

    Steel niet.

    Leg over een ander geen vals getuigenis af.

    Zet uw zinnen niet op het huis van een ander, en evenmin op zijn vrouw, op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, of wat hem ook maar toebehoort.”

    Verschijning van de Heer op de Sinai (De Tien Geboden)

    Heel het volk was getuige van de donderslagen en lichtflitsen, het schallen van de ramshoorn en de rook die uit de berg kwam. Bij die aanblik deinsden ze achteruit, en ze bleven op grote afstand staan. Ze zeiden tegen Mozes: “Spreekt u met ons, wij zullen naar u luisteren. Maar laat God niet met ons spreken, want dan sterven we.” Maar Mozes antwoordde: “Wees niet bang, God is gekomen om u op de proef te stellen en u met ontzag voor hem te vervullen, zodat u niet meer zondigt.” En terwijl het volk op een afstand bleef staan, ging Mozes naar de donkere wolk waarin God aanwezig was.

    […]

    De Heer zei tegen Mozes: “Kom naar mij toe, de berg op, en wacht daar; dan zal ik je de stenen platen geven waarop ik de wetten en geboden heb geschreven om het volk te onderrichten.” Samen met zijn dienaar Jozua ging Mozes de berg van God op. Tegen de oudsten zei hij: “Wacht hier tot wij terugkomen, Aäron en Chur blijven bij u. Mocht iemand een uitspraak in een geschil willen, dan kan hij zich tot hen wenden.”

    Terwijl Mozes de berg op ging, werd deze overdekt door een wolk: de majesteit van de Heer rustte op de Sinai. Zes dagen lang bedekte de wolk de berg. Op de zevende dag riep de Heer Mozes vanuit de wolk. En terwijl de Israëlieten de majesteit van de Heer zagen, als een laaiend vuur op de top van de berg, ging Mozes de wolk binnen en klom hij verder omhoog. Veertig dagen en veertig nachten bleef hij op de berg.

    Verschijning van de Heer op de Sinai (De Tien Geboden) Samenvatting
    Het bijbelverhaal over Mozes en de Tien Geboden (Exodus 19:1-20:21). Volgens het boek Exodus, ontving Mozes op de top van de berg Horeb – in de woestijn Sinaï – van God op twee stenen tafelen de 120 Hebreeuwse woorden

    10
    54
  4. Toelichting zegt:

    Toelichting
    Een andere benaming voor de Tien Geboden is de decalogus of decaloog.

    Na voorlezing van de Tien Geboden aan het verzamelde volk werden de stenen tabletten in de Ark van het verbond bewaard. In hoofdstuk 34 van Exodus staat dat God Mozes opdroeg een tweede versie van deze stenen tafelen te maken, omdat hij de eerste had stuk gegooid.

    In de Hebreeuwse Bijbel zelf zijn er drie vindplaatsen van de 10 geboden. Er zijn de versies in Exodus 20:2-17 (deze tekst) en in Deuteronomium 5:6-21. Hoewel deze twee versies hier en daar van elkaar verschillen, zijn ze globaal genomen hetzelfde. In hoofdstuk 34 van Exodus (vers 11-26) is een derde lijst van geboden en verboden te vinden die verschilt van de vernoemde gelijkaardige versies, ze is uitgebreider en bevat onder andere het opmerkelijke gebod de altaren van andersgelovigen stuk te staan. Opmerkelijk is ook dat in deze Bijbeltekst sprake is van een tweede versie van de stenen tafelen, omdat Mozes de eerste stenen tafelen had stukgegooid.

    3
    28
  5. In Dokkem staat een huis zegt:

    In Dokkum stond een huis waar vreemde dingen gebeurden. Er woonden een man en een vrouw, en een moeder die bij haar getrouwde dochter was ingetrokken. Het gerucht ging dat de man vaak dronken thuis kwam en dan zijn vrouw sloeg.

    De oude vrouw had haar vaste plaats aan het raam vanwaar zij de voorbijgangers kon zien. Iedereen groette haar, van de burgemeester tot de jongste slagersknecht, want ze werd door iedereen in het dorp gerespecteerd. Ze had nooit een mens ter wereld bedrogen, ze had nooit gelogen, en ze had medelijden getoond met arme zwervers die bij haar aan de deur klopten.

    Op de voorhoofden van alle oude mensen staan rimpels van zorgen en berouw gegriefd. Elke rimpel heeft zijn eigen verhaal: hier is een rimpel omdat men een bedelaarshand heeft genegeerd, lange jaren geleden; daar nog een rimpel omdat men zijn vriend heeft verraden uit geldzucht of uit onnadenkendheid; en soms is er een diepe rimpel, die verraadt dat men zichzelf heeft verkocht. Dit zijn rimpels van diegenen die gezondigd hebben.

    Op ’t voorhoofd van de oude vrouw waren deze rimpels niet te zien. Bij haar waren het zachte, stille, onzekere lijnen, groeven kon men ze niet noemen, zo weinig diep waren ze. Bij haar waren het de rimpels van een eervol leven.

    Nu ze oud werd, zag men een warnet van deze rimpels op haar voorhoofd, als ze even opkeek van de bijbel op haar schoot. Ze droeg een grote uilenbril om beter te kunnen lezen. Al vijftig stappen voor het huis dacht iedereen die haar voorbij zou gaan: “Straks zie ik de oude vrouw die mij zo vriendelijk groet.”Toen kwamen de dagen dat ze niet meer glimlachte. Wel las ze de bijbel, maar niet meer met blijmoedigheid. Wat ging er toch in het huis om, dat zich diepe rimpels in haar voorhoofd plooiden? Zij durfde bijna niet meer te groeten van haar plaats bij het raam. Het was of haar ogen achter de grote uilenbril smeekten: “Ga liever mijn huis voorbij! Doe of ik niet besta. Mijn pijn is te scherp. Groet mij niet!”

    Men kon haar raam niet voorbijgaan, zonder haar toe te knikken. Dan boog ze eerbiedig het oude hoofd, want ze wilde niet graag iemand beledigen, zelfs nu niet, nu ze voelde dat ze spoedig zou sterven. Het verdriet was in haar bloed als langzaam werkend gif. Ze verlangde naar rust… rust die ze alleen op het kerkhof zou vinden.

    De mensen waren zich er niet van bewust dat op een dag de oude vrouw niet meer achter haar raam zou zitten. Zij was de spil van het huis, en als zij er niet bleef om orde en toezicht te houden, kon men in dit huis alleen rampspoed en ellende verwachten. Hoe vreemd het ook schijnen mag, de oude vrouw kon het minst van allemaal worden gemist. Toch bemoeide ze zich nergens mee. Zolang het zonlicht scheen, zat ze bij het raam; als de avond viel, ging ze rusten.

    Op het ogenblik dat ze sterven zou, wist ze dat de misdaad, die zijn intrede in het huis al had gedaan, vrij spel zou hebben, een misdaad die even erg was als die twee grote plagen van de mensheid: honger en dood. Tot het einde toe zat de oude vrouw voor het raam, de grote uilenbril op de neus, de handen rustend op haar bijbel. Nog groette ze iedereen die voorbij kwam. Ze had geweigerd om in haar bed te gaan liggen. “Hier heb ik geleefd, en hier wil ik dood gaan,” zei ze met vaste stem tegen haar dochter, die haar smeekte om naar bed te gaan.Zo stierf ze voor het raam, nadat ze nog diezelfde dag velen had gegroet. Ze werd snel begraven, maar niet snel vergeten, terwijl dat toch het lot van de meeste doden is. Nu ze niet meer voor het raam zat, was de misdaad de baas. Dikwijls was er een groot kabaal in de kamer te horen. Vaak klonk er geschreeuw, en hoorde men het kermen en jammeren van de dochter. Op een keer strompelde de jonge vrouw naar buiten, met een bebloede doek voor het gezicht, maar toen men haar vroeg wat er aan de hand was, antwoordde ze niet. Wanneer ze alleen was, huilde ze.

    “Moeder! Moeder! Waarom bent u er niet meer om me te beschermen? Ik had dood willen gaan vóór u. Dit leven… is te zwaar… voor mij. Ik houd het niet uit, altijd die dronkaard om me heen. Hij wil me vermoorden! Maar dat is misschien nog het beste wat hij voor mij kan doen. Dan ben ik tenminste verlost van dit vreselijke lijden.”

    Ze zei dit in haar angst en pijn die ze in haar eentje moest dragen, want ze vreesde de dood net zo goed als de meeste andere mensen. Er kwamen nooit vreemde mensen in hun huis. De stilte was een deel van de kamer, tot man en vrouw samen waren, dan brak de hel los.

    Ze kon er met niemand over praten. In het stadje hadden velen haar gewaarschuwd. Ze vonden het haar eigen schuld. Ze had tenslotte niet met deze dronkelap hoeven trouwen. Er waren jongens genoeg geweest die haar graag tot vrouw hadden willen hebben, waarom had ze juist de verkeerde uitgekozen? Ze had vrijers te kust en te keur gehad, maar ze had haar zinnen gezet op die ene, en niemand kon haar ervan weerhouden. O dwaasheid der jeugd. Het kon zo niet langer duren. Maar hoe zou er een einde kunnen komen aan deze situatie?

    Op een goede dag kwam iemand het huis voorbij. Hij keek naar binnen en toen stond hij plotseling stokstijf stil, en zijn hart sloeg een paar tellen over.

    Achter het raam, op haar vertrouwde plek, zat de oude vrouw. De gestorven vrouw! Op haar neus droeg ze de grote ronde uilenbril, en op haar brede schoot lag de bijbel. Ze had haar hoofd gebogen, maar toen de voorbijganger haar zag, groette zij, zoals ze gedurende haar leven had gegroet. Op dat moment kwam de jonge vrouw naar buiten om uit de regenton water te scheppen. Ze dompelde de emmer in het vat, stond daarna een ogenblik stil, keek om zich heen, en ze merkte de man op die nog steeds naar het raam stond te staren. “Wat is er te zien?” glimlachte ze.

    Hij wees naar het huis, en toen ze zag wat hij zag, deinsde ze achteruit. De oude vrouw achter het raam groette haar eerbiedig. “Wat is dat?” schreeuwde de jonge vrouw angstig. “Moeder?!” Maar er kwam geen antwoord. De oude vrouw opende haar mond niet.

    Vanaf dat ogenblik was de zwijgende oude vrouw weer de meesteres in huis. Overdag zat ze als vanouds voor het raam, maar tegen de avond loste haar verschijning op in de scheme-ring.

    De man van de dochter, in zijn voortdurende dronkenschap, dacht dat hij ter plekke een delirium kreeg toen hij zijn schoonmoeder voor het eerst op haar plekje achter het raam zag zitten. Hij zeilde langs de regenton heen en viel pardoes neer, zoals men op een gladbevroren weg valt. Verbaasd wreef hij over zijn pijnlijke hoofd, tastte met zijn handen langs de muren om zich vast te houden en stond dan eindelijk oog in oog met de oude, dode vrouw, alleen nog door het glas van haar gescheiden. Hij strekte zijn armen uit, en tierde als een waanzinnige, hoewel hij in een en dezelfde seconde broodnuchter was geworden.

    De jonge vrouw hoorde hem buiten tekeer gaan en sprong haar bed uit. Zo stond ze voor hem, met wanordelijk haar, in lange sprietige slierten hing het langs haar wangen, haar handen leken nog magerder dan anders, ze haalde kort en hijgend adem.

    “Jij… jij… jij hebt moeder hier teruggebracht!” – “Wat zegje nou, vrouw?!” schreeuwde hij. De oude vrouw sloeg de twee zwijgend gade. Hij riep in zijn wanhoop uit: “Moeten we hiermee verder leven?” – “Het is jouw schuld…” – “Hoelang zal dit gaan duren?”
    Dat weet ik niet. Ze bewaakt ons. Als je in de kamer zelf komt, zie je niets, maar als je naar buiten gaat…” – “Ik zal andere ruiten in het raam laten zetten.” – “Daarmee jaag je haar heus niet weg.”

    “Ze moet heengaan,” huilde hij. “Ze zal ons niet van hier verdrijven. Ze zal en ze moet weg!”

    Hij liet andere ruiten in het raam zetten, zoals hij had gezegd, maar hij bande haar niet uit de kamer. Zij zat, als een stomme gast, bij het raam en knikte al haar oude vrienden toe. Ze kende iedereen weer, alsof ze het huis nooit had verlaten. Ze zat er om haar dochter te beschermen, zoals een levende moeder zou doen. Wie durfde nog te geloven dat ze deze aarde ooit had verlaten! Ze was zó werkelijk, dat niemand in haar een geest zag. Als een levende vrouw boog ze haar hoofd licht bij wijze van begroeting en ze had een uilenbril nodig om in de bijbel te lezen. ’s Avonds zaten man en vrouw voortaan zonder ruzie bij elkaar. De man waagde het niet nog een druppel te drinken, en hij raakte zijn vrouw met geen vinger aan. Als de een de ander aankeek, hoefden ze geen van beiden te raden waar ze aan dachten. Ze durfden lange tijd niet hardop te spreken, want ze waren bang dat de oude vrouw hen ook ’s avonds bewaakte.

    Nadat deze situatie vele maanden had geduurd, stond hij op een avond van zijn stoel op en riep snikkend uit: “Jaag jij haar weg… jij hebt haar geroepen. Door jouw toedoen is ze hier!”

    Zoals een vleermuis die de draden in de duisternis handig weet te ontwijken, zo ontweken haar gedachten nu zijn woorden, en ze konden haar dan ook geen pijn doen. Ze zei alleen: “Laten we naar bed gaan, het is laat.” – “Laat of vroeg, ik weet niet meer wat voor tijd het is, sinds de oude vrouw hier leeft.” – “De nacht komt – buiten is het al donker.” – “Morgen komt toch het licht opnieuw. Ik ben banger voor de dag dan voor de avond. “Alle lampen zijn al uit.”

    “De onze brandt nog, al zal ze de dag niet tegen kunnen houden. Wat kan de dag wel tegenhouden?” riep hij radeloos uit. “Ik ga alleen.” Ze blies zorgzaam de lamp uit. Hij zag dat ze heenging van tafel en zich uitkleedde. Toen legde hij de handen voor zijn gezicht, zodat er volstrekte duisternis heerste, en hij bracht de nacht wakend en piekerend in de kamer door. En ja, de volgende morgen ging de oude vrouw weer voor het raam zitten.
    Ze deed of ze de man niet zag. Ze groette iedereen die voorbij ging even vriendelijk. Ze leek niet te horen wat de man tot haar dochter zei.

    “Vraag het haar – ik merk aan de mensen buiten dat zij er weer zit.”

    “Wat moet ik haar vragen? Ik zie haar niet…” – “Ga voor het raam staan en zeg me of ze er is.” De jonge vrouw stapte naar buiten en de moeder groette haar. Ze bleef even treuzelen. Toen stapte ze wankelend de kamer weer in. Hij richtte zijn hoofd op. “Zij is weg, nietwaar? Zeg me alsjeblieft dat ze weg is! Ze kan daar toch niet eeuwig blijven zitten?!” – “Zolang als jij leeft, zal er geen genade zijn, ze blijft.” Hij smeekte: “Vraag jij het haar dan of ze weg wil gaan. Dan doet ze het zeker, zij is tenslotte de moeder, jij bent haar kind. Ze zal het je niet kunnen weigeren.”

    “Ik heb geen invloed meer op haar. In het hart van de doden is de liefde vergaan.” – “De liefde van een moeder voor haar kind vergaat niet. Zou ze soms hier zitten als haar liefde vergaan was? Dan zou ze rustig op het kerkhof liggen.” Hij greep haar bij de arm. “Val op je knieën, probeer het, anders moet ik zeker sterven.” Ze stapte in de richting van het raam, maar ze durfde niet te naderen tot de plek waar haar oude moeder zou zitten. “Val nu neer,” huilde de man. “Ze zal je misschien verhoren. Vertel haar dat ze niet meer nodig is. Het is afgelopen, ik heb toch mijn lesje geleerd.”

    “Moeder!” begon de dochter. “Uw kind spreekt met u. U heeft mijn tranen gedroogd toen ik klein was, en later hoefde u mij maar aan te kijken, om me te laten glimlachen. Verdriet heb ik in mijn jeugd dankzij uw liefde nooit gekend.” Ze stopte een moment en herinnerde zich de dagen van weleer. Zoals men soms weer denkt aan een bijzondere dag in het voorjaar, waarop de vogels mooier dan ooit leken te zingen, zo ontbloeiden haar kinderjaren voor haar ogen die met tranen waren gevuld. Ze snoof de zoete geuren van de lentedag op, werd opnieuw dronken van de kleurenrijkdom van de bloemen die ze voor zich zag.

    Het beeld van een verjaarsfeest schoot haar te binnen, hoe haar moeder een cadeau op haar bed legde – en ook voelde ze haar moeders kus weer op haar wang, toen ze vertelde dat de meester haar had geprezen. Ze riep de zoete, vertrouwde naam die de oude vrouw bij het raam moest doen opschrikken, en die haar glimlachend op haar dochter zou doen neerzien. “Moeder! Moeder! Moeder!”

    Maar nu kwam er geen antwoord. Ze probeerde het opnieuw: “Moedertje, luister toch naar mij. Wat moet ik mijn man zeggen? Hij wordt nog waanzinnig! Wat een straf.” Moeder zweeg, en de jonge vrouw strekte haar armen hulpeloos naar haar man uit.

    “Zie je wel? ’t Helpt niets, wat ik haar ook vraag…” – “Vraag haar dan wat ik heb gezegd,” riep hij ongeduldig, “dat heb je nog niet gedaan.”

    De jonge vrouw kroop op haar knieën tot vlak voor de plaats waar haar moeder zitten moest.

    “Moeder! Hij zal me nooit meer slaan. Het is genoeg geweest.” – “Ga nu naar buiten!” beval de man.

    Ze deed wat hij wilde en keek nog een keer naar het raam. Wanhopig vouwde ze de handen toen ze zag dat de oude vrouw als altijd bij het raam zat, de bijbel op haar schoot. Ze keerde in de kamer terug. Haar man keek niet op. Hij vroeg niets, maar zij gaf hem door haar stilzwijgen al genoeg antwoord. “Ze is niet weggegaan, het helpt niets of ik in het stof kruip voor haar. Haar hart is dood!”

    “We gaan op zolder wonen. Ik laat achter in het huis een trap maken. We komen nooit meer in deze kamer terug. Ik wil nog wel eens zien wie hier de sterkste is, zij of ik! Ze zal het hier niet lang meer uithouden,” riep hij, en er klonk nieuwe hoop in zijn stem, “en als alles over zoveel jaar voorbij is, kunnen we weer naar de kamer gaan.”

    Hij timmerde op de zolder een bedstede, en hij zette de stoelen en de tafel daarbij. Ze hadden nu het gevoel dat ze heel ver van de kamer leefden. Ze vermeden het zoveel mogelijk naar buiten te gaan. Alleen wanneer de vrouw water uit de regenton moest scheppen, verliet ze het huis, maar dan zorgde zij er wel voor dat ze niet in de richting van het raam keek. Het zou niet helpen. Ze merkte aan de voorbijgangers, die dikwijls even stil bleven staan, dat de oude vrouw nog altijd voor het raam zat.

    Op den duur konden de twee mensen op zolder dit leven niet langer volhouden. Ze vroegen zich af of de oude vrouw nog wel ooit weg zou gaan. Waarvoor zou zij wijken? Ze was niet gevoelig voor de smeekbeden van haar dochter, en met geweld viel bij een dode ook niets te bereiken.

    “Ik ga morgenvroeg nog één keer kijken of zij er nog altijd is. En dan..;” zei de man op een keer, toen ze de hele avond zwijgend tegenover elkaar hadden gezeten. Zij voelden zich door de wereld verlaten, want er was niemand in Dokkum die hun huis nog wilde bezoeken.

    Hij had zijn zin niet afgemaakt, maar zij voelde hoe de aloude woede in hem opsteeg. Ze hield zich aan haar stoel vast en staarde hem met grote ogen aan. Hij liet zijn vuist op tafel vallen en ze schrok. Zou het oude leventje dan weer opnieuw beginnen?

    “Wat wil je dat ik doe?” vroeg ze timide. “Ik ben bang.”

    Door dit onverwachte antwoord, vatte ze moed. “Bang? Dan weet je ook eens wat dat is. Vroeger was je anders zo bang niet, je had me makkelijk dood kunnen slaan!” Hij voelde zich tot het uiterste getergd door haar brutale weerwoord.

    “Durf jij zo tegen mij te beginnen? Nou weet ik helemaal zeker dat jij die toverkol hebt geroepen. Nou, je hebt het handig aangepakt, dat moet ik je nageven. Ik heb je met geen vinger aangeraakt. Maar ik ga er nu een eind aan maken.” Ze boog zich over de tafel heen en keek hem recht in de ogen. “Zij hier beneden zal over mij waken!” – “Net zolang als ik dat wil.”

    “Ik wil eerst nog wel eens zien of je morgenvroeg naar het raam durft te gaan.”

    “Dat zul je zien,” gilde hij met overslaande stem. “Morgen voor het licht is, zal ik er staan.”

    Hij sliep de hele nacht niet. Hij keek met brandende ogen het duister in, zoals iemand die koorts heeft. Hij lette niet op de tijd, maar toch voelde hij de ochtend naderen. Aan de onzichtbare horizon ontstonden roze sluiers, terwijl het veld en de huizen nog met een inktzwarte deken waren bedekt. Moeizaam stond hij van zijn stoel, kleedde zich aan en ging naar beneden. De lucht was koel, en hij huiverde, zodra hij zijn hoofd buiten de deur stak. Toch aarzelde hij niet. “Ik moet met eigen ogen zien of zij er nog zit,” dacht hij. Het raam was nog één met de nacht. Als hij de plaats niet zo goed zou hebben gekend, zou hij het raam niet eens hebben kunnen vinden.

    Toen hij voor het raam stond, en zijn neus tegen het glas drukte, zag hij niets van de gestalte. Maar toen drong achter hem, naast hem, boven hem, het zwellende licht van de dag op, als een onstuimige stroom die buiten zijn oevers treedt, door geen wal of dijk gehinderd. Toen deinsde hij achteruit, want voor het raam zat de oude vrouw. Glimlachend, zwierig bijna, groette ze hem. Hij tastte voor zich uit tot zijn vingers het raam aanraakten.

    “Leef je dan?” schreeuwde hij. “Wat doe je bij ons?” De gedaante antwoordde niet. Ze zat nu in het volle licht en een straaltje zon vonkte in de glazen van haar uilenbril. De man sloeg tegen het raam.

    “Geef dan toch antwoord! Ik ben niet bang voor je!” De oude vrouw knikte hem toe. Toen hield hij het niet langer uit, en huilend van angst en onmachtige woede liep hij de trap op.

    “Ze zit er nog altijd en zegt niets.” – “Dat heb ik vooruit geweten. Zolang jij er bent, zal zij er zijn.”

    “Dan moet het maar gebeuren…”

    “Wat wil je? Raak me niet aan! Ze is bij het raam, ik waarschuw je.”

    Hij lachte als een krankzinnige en liet zijn vuist op tafel daveren.

    “Jij hoeft me niet te waarschuwen. Jij bent het die haar hier heeft gehaald. En als je nu niet zorgt dat ze wegkomt…” Hij schreeuwde het nu uit. “Van het raam weg! Die kat met haar uilenbril. Ksjj, smerige kat, wat doe je in mijn huis?” – “Wat klets je nou?! Heb ik haar in huis gehaald, dat lieg je zo groot als je bent. Ik heb niets in huis gehaald, dat niet van jou of van mij is. Ik heb geen geest in de kamer gebracht.” – “Bewijs het! We gaan hier vandaan. Ga je mee als ik hier vandaan ga?” treiterde hij.

    “Waar moet ik op de wereld blijven, wanneer ik dat niet doe? Ik blijf hier niet alleen.”

    “Misschien zal ze hier niet meer spoken als ik weg ben.” – “Nee, nee, je mag mij hier niet alleen laten.” Dit beloofde hij haar, maar de volgende morgen was hij verdwenen. Ze riep hem bij zijn naam. Ze doorzocht het hele huis van onderen tot boven, en ze kwam zelfs in de kamer. Ze vroeg de buren of iemand hem had gezien. Geen enkele kon haar troosten en voortaan zat ze eenzaam op de zolder, met de deur op slot.

    Ze wist niet hoeveel nachten en vreselijke dagen ze in de eenzaamheid zat opgesloten, met de dreigende muren van de stilte om haar heen. Zij durfde helemaal niet meer te denken. Haar lot was nog akeliger dan van een gevangene, want die heeft nog altijd de hoop en het verlangen naar bevrijding. Zij echter zag niets dan haar cel.

    Op een dag hoorde zij beneden een geluid dat tot haar doffe geest doordrong, en dat haar werktuiglijk het hoofd deed heffen. Er klonken voetstappen op de trap. Zij stond op, en opende de deur. In de opening bleef ze staan, en haar man kwam binnen, een vermoeide hongerige zwerver. Hij viel op een stoel neer, legde zijn handen voor de ogen en begon luid te huilen.

    “Ze zit er nog altijd, ze zal hier nooit weggaan. En het is alles mijn schuld,” jammerde hij.

    “Uit dit huis,” smeekte ze hem, “laten we samen uit dit verdoemde huis vertrekken.”

    “Het is goed, laten we geen seconde langer wachten.”

    2
    61
  6. Wat een griezelige toestand zegt:

    Jaren geleden, gingen wij op vakantie met ons gezin en we huurden een klein oud houten huisje, diep in een afgelegen bos. Op de begane grond waren de keuken, woonkamer en een badkamer. De slaapkamers waren op de tweede verdieping, maar er was ook nog een kelder die gebruikt werd voor opslag. Daar gingen we alleen niet graag naar toe, want het was er donker en muf en er hing een typische, indringende geur!

    Op de eerste avond, werden we allemaal gewekt door een verschrikkelijke schreeuw die kwam uit mijn zusjes slaapkamer. Toen mijn vader haar kamer binnenstormde en het licht aan deed, vond hij haar rechtop in bed, schreeuwend en huilend. Mijn ouders gingen bij haar zitten en troostten haar tot ze eindelijk gekalmeerd genoeg was om hen te vertellen wat haar had bang gemaakt.

    Ze zei dat ze in het midden van de nacht wakker werd door een verschrikkelijke stank. Toen ze haar ogen opende, had ze de hele slaapkamer gedrenkt in het bloed van boven naar beneden gezien. Er was bloed op de vloer, bloederige handafdrukken op de muren en bloedspatten over het plafond.

    We dachten allemaal dat ze maar een nachtmerrie had gehad, maar ze weigerde om terug naar haar slaapkamer te gaan en wilde alleen nog maar bij mijn ouders op de slaapkamer slapen.

    Op een avond, mijn moeder was eten aan het koken in de keuken en mijn vader was een boodschap aan het doen in een nabijgelegen stad, waren mijn zus en ik ons aan het vervelen en wisten we niet goed wat we moesten doen. Ik had het plan om eens in de kelderruimte te kijken om te zien of we daar iets konden vinden om te doen. De kelder rook muf en er was maar weinig licht. Direct bekroop ons een angstaanjagend gevoel en onze ademhaling ging ongemerkt steeds sneller. Toch bleven we doorlopen in de hoop iets leuks te vinden.

    In een verre uithoek van de kelder zagen we iets staan, maar wat het was konden we niet goed zien, omdat er een vieze oude deken overheen lag. We liepen er naar toe en tilden de deken op. We zagen een oude kist staan met een groot en zwaar hangslot. Het vreemde was dat er op de kist stond: ‘Niet openmaken, heb respect voor de doden’. Nieuwsgierig als we waren wilden we natuurlijk weten wat er in deze kist zat, want we dachten dat die tekst puur als grap was bedoeld. Omdat we helaas geen sleutel zagen van het hangslot, gingen we die avond maar terug naar onze ouders, maar moesten steeds denken aan die vreemde kist in de kelder.

    Die nacht droomde ik heel vreemd en werd ik badend in het zweet wakker. Ik had gedroomd dat ik achterna werd gezeten door allerlei vreemde monsters in het bos die mij wilden opeten. Ik vertelde het aan mijn ouders, maar die zeiden dat ik alleen maar een nachtmerrie had gehad.

    Mijn zusje en ik wilden perse die oude kist in de kelder openen om te zien wat er in zat. Gelukkig vonden we in een schuur bij ons huisje een grote tang, waarvan we hoopten dat deze het slot kapot kon maken. We vertelden onze ouders natuurlijk niet waar we mee bezig waren en wachten tot de avond was ingevallen en zij met elkaar tv zaten te kijken.

    Opnieuw liepen we naar de kelder en eenmaal aangekomen bij de kist, probeerden we met de tang het slot kapot te knippen. Dit was best lastig, want het slot was sterk, maar na een paar pogingen lukte het ons het slot open te krijgen. Nu zouden we zien wat er toch in deze kist zat, wat we blijkbaar niet mochten zien. Het deksel van de kist was blijkbaar in jaren niet geopend, want het maakte een naar piepend, bijna schreeuwend geluid. We wilden al bijna de kist weer dicht doen, maar onze nieuwsgierigheid won het. Toen we met de zaklamp in de kist schenen zagen we een ouderwetse cassettebandrecorder.

    Onze ouders hadden ons ooit wel eens verteld dat ze dit vroeger gebruikten om muziek op te luisteren en af te spelen. Er lag ook een boek met een rare naam met allemaal vreemde tekens op de omslag. We konden het boek niet lezen, omdat het in een andere taal was geschreven, maar aan de plaatjes te zien was het geen vrolijk boek. Er stonden afbeeldingen in van wat leek dode mensen, maar het vreemde was dat deze wel rechtop stonden en liepen.

    Het boek lieten we liggen, en we pakten de cassettebandrecorder. Mijn zusje en ik keken elkaar aan en zonder iets te zeggen knikten we tegen elkaar en drukten op de ‘play’ toets.

    Krakend begon het apparaat te draaien en eerst hoorden we niets, alleen een hele vage ruis op de achtergrond. We wilden hem al weer uit zetten, tot er ineens een zware donkere stem begon te spreken. “Wie waagt het en heeft het lef gehad om mij op te roepen? O, wee diegene die nu zitten te luisteren. Jullie zijn gedoemd voor altijd en eeuwig. Jullie worden veranderd in zombies en daarna zullen jullie worden toegevoegd aan mijn leger van wandelende doden, net als diegene die zich ook bij jullie in dit huisje bevinden! Alleen in de ronde cirkel ben je veilig.”

    Geschrokken door deze tekst, drukten we gauw het bandje uit en we keken elkaar allebei verschrikt aan. Dit was vast een grapje, niet echt, probeerden we onszelf gerust te stellen. Een hele lugubere grap. Dat kon toch helemaal niet? We deden snel de kist dicht en renden gauw naar boven. Het was inmiddels heel donker geworden en we zagen niet veel, omdat de meeste lampen uit waren. We riepen onze ouders, maar kregen geen gehoor. Waar waren ze toch? Het hele huis liepen we door, tot we ineens bij de achterdeur in de keuken een schrapend geluid hoorden.

    Geschrokken liepen we er naar toe om te kijken en wat we toen zagen deed ons verstijven van angst. Onze ouders waren onze ouders niet meer. Ze waren helemaal verminkt, met allemaal bijtsporen en ze zaten onder het bloed. Hun ogen waren helemaal wit en weggedraaid. Toen ze ons zagen, bewogen ze met een langzame schuifelende pas op ons aan. Ze konden niet praten en er kwam alleen maar rochelende geluiden uit hun mond. Ze waren veranderd in zombies! Ze reikten met hun handen naar ons alsof ze ons wilden pakken. We bleven niet wachten op wat er ging gebeuren en renden snel via de voordeur naar buiten.

    Eenmaal buiten aangekomen zagen we tot onze grote schrik een heleboel zombies die op ons al liepen. Gelukkig waren zij niet zo snel en konden we hen ontwijken in onze vlucht naar de veiligheid. Rennend en om ons heen kijkend liepen we steeds verder het bos in. Huilend en niet wetende wat we moesten doen, stopten we heel even om op adem te komen. We herinnerden ons de tekst van het cassettebandje, waarin werd gezegd dat we alleen veilig waren in de cirkel. Dat was dus ons doel. Op zoek gaan naar die cirkel, zodat we uit de handen bleven van de zombies en zelf niet zouden veranderen in wandelende doden!

    Doordat jullie dit verhaal hebben gehoord, weten jullie dat wij het overleeft hebben. Nu laten we jullie gaan op jullie weg terug naar jullie huisje in het bos. Om de weg te kunnen vinden moeten jullie de lampjes of overige aanwijzingen volgen. Wij hopen dat jullie geen zombies of andere rare wezens tegenkomen, maar beloven kunnen we het niet. Maar onthoud, dat als jullie de cirkel zien, jullie daar veilig zijn. Succes en pas goed op elkaar!

    The Walking Dead Samenvatting
    Een spannend en eng verhaal over zombies (wandelende doden).

    1
    28
  7. 3 juli geboren zegt:

    1991 Rolf Sanchez
    Rolf Wienk. Nederlands zanger (Pa Olvidarte).
    1987 Sebastian Vettel
    Duits Formule 1-coureur (Red Bull Racing, Ferrari).
    1984 Churandy Martina
    Nederlands sprinter uit Curaçao.
    1981 Fajah Lourens
    Nederlands actrice, model, dj, modeontwerpster en fitnessgoeroe.
    1972 Jeroen Nieuwenhuize
    Radio 538 deejay.
    1962 Tom Cruise
    Amerikaans acteur.
    1962 Han van Eijk
    Nederlands zanger.
    1952 Laura Branigan († 2004)
    Amerikaans zangeres (Self Control).
    1951 François Duvalier
    alias Papa Doc. President / dictator van Haïti.
    1947 Rob Rensenbrink († 2020)
    Nederlands profvoetballer (o.a. Club Brugge en RSC Anderlecht).
    1944 Michel Polnareff
    Frans zanger.
    1938 Sjaak Swart
    Voormalig Nederlands profvoetballer (Mister Ajax).
    1937 Tom Stoppard
    Brits/Tjechisch toneelschrijver (The Real Thing, Shakespeare in Love).
    1931 C.I. Dessaur
    Andreas Burnier. Nederlands schrijfster.
    1922 Corneille
    Guillaume Beverloo. Nederlands/Belgisch kunstschilder (CoBrA).
    1883 Franz Kafka († 1924)
    Tsjechisch Duitstalig schrijver.

    1
    19
  8. 3 Koningen zegt:

    DE VLUCHT VOOR HERODES EN ARCHELAÜS

    Toen Jezus geboren was in Betlehem in Judea, tijdens de regering van Herodes, kwamen er magiërs uit het Oosten in Jeruzalem aan. Ze vroegen: “Waar is de pasgeboren koning van de Joden? Wij hebben namelijk zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om hem eer te bewijzen.” Koning Herodes schrok hevig toen hij dit hoorde, en heel Jeruzalem met hem. Hij riep alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk samen om aan hen te vragen waar de messias geboren zou worden. “In Betlehem in Judea,” zeiden ze tegen hem, “want zo staat het geschreven bij de profeet: ‘En jij, Betlehem in het land van Juda, bent zeker niet de minste onder de leiders van Juda, want uit jou komt een leider voort die mijn volk Israël zal hoeden.'”

    Daarop riep Herodes in het geheim de magiërs bij zich; hij wilde precies van hen weten wanneer de ster zichtbaar geworden was, en stuurde hen vervolgens naar Betlehem met de woorden: “Stel een nauwkeurig onderzoek in naar het kind. Stuur mij bericht zodra u het gevonden hebt, zodat ook ik erheen kan gaan om het eer te bewijzen.”Nadat ze geluisterd hadden naar wat de koning hun opdroeg, gingen ze op weg, en nu ging de ster die ze hadden zien opgaan voor hen uit, totdat hij stil bleef staan boven de plaats waar het kind was. Toen ze dat zagen, werden ze vervuld van diepe vreugde. Ze gingen het huis binnen en vonden het kind met Maria, zijn moeder. Ze wierpen zich neer om het eer te bewijzen. Daarna openden ze hun kistjes met kostbaarheden en boden het kind geschenken aan: goud en wierook en mirre. Nadat ze in een droom waren gewaarschuwd om niet naar Herodes terug te gaan, reisden ze via een andere route terug naar hun land.

    Kort nadat zij op die manier de wijk genomen hadden, verscheen er aan Jozef in een droom een engel van de Heer. Hij zei: “Sta op en vlucht met het kind en zijn moeder naar Egypte. Blijf daar tot ik je weer roep, want Herodes is naar het kind op zoek en wil het ombrengen.” Jozef stond op en week nog diezelfde nacht met het kind en zijn moeder uit naar Egypte. Daar bleef hij tot de dood van Herodes, en zo ging in vervulling wat bij monde van de profeet door de Heer is gezegd: “Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen.”

    Toen Herodes begreep dat hij door de magiërs misleid was, werd hij verschrikkelijk kwaad, en afgaande op het tijdstip dat hij van de magiërs had gehoord, gaf hij opdracht om in Betlehem en de wijde omgeving alle jongetjes van twee jaar en jonger om te brengen. Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jeremia: ‘Er klonk een stem in Rama, luid wenend en klagend. Rachel beweende haar kinderen en wilde niet worden getroost, want ze zijn er niet meer.’

    Nadat Herodes gestorven was, verscheen er in een droom aan Jozef in Egypte een engel van de Heer. De engel zei: “Sta op, ga met het kind en zijn moeder naar Israël. Want zij die het kind om het leven wilden brengen, zijn gestorven.” Jozef stond op en vertrok met het kind en zijn moeder naar Israël. Maar toen hij daar hoorde dat Archelaüs zijn vader Herodes had opgevolgd als koning over Judea, durfde hij niet verder te reizen. Na aanwijzingen in een droom week hij uit naar Galilea. Hij ging wonen in de stad Nazaret, en zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeten: “Hij zal Nazoreeër genoemd worden.”

    Het verhaal van de drie koningen Samenvatting
    Het bijbelverhaal over de Wijzen uit het Oosten (Matteüs 2:1-23). In de bijbel van de christenen wordt het verhaal van wat er gebeurde na de geboorte van Jezus beschreven in het Nieuwe Testament en wel in het evangelie volgens Matteüs. In de nieuwe bijbelvertaling worden de drie koningen (of ook wel de drie wijzen) aangeduid als de drie magiërs

    1
    19
  9. Arie de Argwaner zegt:

    Kunnen we de lengte van reacties wat beperken, zodat de religekkies en overige zeikneuzen hier geen oeverloos podium hebben?
    Oja, een steekincident in Glanerbrug? Dat is daar de normaalste zaak van de wereld en zeker geen incident.

    23
    2
  10. Choco Prince zegt:

    Tja, die Dennis… Beetje dom, beetje grote mond, beetje tokkie en ongetwijfeld een beetje dronken. Dan krijg je die soort ongein. Gebbetjes waar niet veel mensen om kennen lachen.

    7
    11
  11. Dsmabolat en Dimbsolat zegt:

    n het Kaukasus-gebergte lag, ver van de rest van de wereld, een dorpje waar drie broers woonden. De oudste heette Bimbolat, de middelste heette Kaspolat, de jongste heette Dsambolat. Elk van de drie broers had een bijzondere gave. Bimbolat had heel scherpe ogen. Kaspolat kon heel hard lopen. Dsambolat was voor niets of niemand bang.

    Alle drie waren ze jagers. De ene dag gingen ze op jacht in het Zwarte Gebergte, de andere dag in het Grauwe Gebergte, en soms ook in het Witte Gebergte. En iedere dag brachten ze een flinke buit mee terug, een hert of een gems, soms een beer of wild zwijn of een vos. Betere jagers dan de drie broers bestonden er niet op de hele wereld.

    Zo leefden de drie broers daar tussen de bergen, bevriend met de wolken die langs de bergtoppen streken en de grote adelaars die vanuit de diepe blauwe lucht op de wereld neerkeken.

    De jaren kwamen en de jaren gingen.

    Bimbolat, de oudste broer, trouwde. Een paar jaar gingen de broers daarna nog samen op jacht. Maar toen kwam de dag dat Bimbolat zei: “Ik ben nu te oud geworden om met jullie op jacht te gaan. Mijn ogen zijn niet meer zo scherp als vroeger. Ik blijf bij mijn vrouw voortaan.””Doe wat je het beste lijkt,” zeiden de twee jongere broers.

    “Blijf in de buurt van je huis, werk op het land en maak je niet bezorgd over je deel van de buit. Van alles wat we meebrengen van de jacht krijg jij een derde deel.”

    Weer ging een aantal jaren voorbij. Toen trouwde de middelste broer, Kaspolat. Een paar jaar ging hij nog met Dsambolat op jacht. Maar toen kwam de dag dat Kaspolat zei: “Ik ben nu te oud om op jacht te gaan. Ik voel dat mijn benen niet meer willen als vroeger. Ik blijf thuis voortaan.”

    Dsambolat antwoordde: “Doe wat je het beste lijkt, Kaspolat. Blijf thuis en werk op het land. Maak je niet bezorgd over je deel van de jachtbuit. Van alles wat ik meebreng van de jacht is een derde voor jou.”

    Vanaf die tijd ging Dsambolat alleen op jacht. Iedere dag bracht hij zijn broers hun deel van de buit. De mensen zeiden: “Van de drie broers is Dsambolat de beste jager. Een betere jager dan hij is er niet op heel de wereld.”

    Toen de twee broers hoorden hoe de mensen hun jongere broer prezen, groeide in hun harten een grote afgunst.

    Kaspolat zei tegen Bimbolat: “Is het onze schuld dat we te oud zijn geworden om nog op jacht te gaan?”

    Bimbolat zei tegen Kaspolat: “Dsambolat mag dan onze broer zijn, maar het is onrechtvaardig dat hij nu door iedereen geprezen wordt en over ons wordt door iedereen gezwegen. Het zou voor iedereen het beste zijn als Dsimbolat een vrouw vond en trouwde. Dan zou hij verder ook thuis kunnen blijven. We zullen wel een vrouw voor hem zoeken.”En de twee broers gingen op zoek naar een vrouw voor de jongste, die daar helemaal niet om gevraagd had en die er ook helemaal niet van gediend was. Dsambolat zei tegen hen: “Heb ik jullie gevraagd om uit te zien naar een vrouw voor mij? Dat kan ik zelf wel! Ik zal trouwen met het mooiste meisje van de hele wereld, een meisje zo rank als een cipres, met ogen zo donker als de nacht en schitterend als de sterren, met haar dat glanst als goud en golft als een bergbeekje.” De twee oudere broers wisten niet wat ze daarop zeggen moesten. Zwijgend aten de drie broers hun maaltijd en zwijgend gingen ze uiteen.

    II. DSAMBOLAT EN HET GEWONDE HERT

    De volgende dag trok Dsambolat de Zwarte Bergen in om te jagen. Van zonsopgang tot laat in de middag trok hij over de woeste bergflanken zonder een enkel dier te kunnen ontdekken. De zon was al bezig te verdwijnen, toen Dsambolat eindelijk op een rotsblok een hert zag staan, een hert zonder gewei. Bliksemsnel trok hij uit zijn pijlenkoker een pijl, hij spande zijn boog, mikte en schoot. Daarna klom hij naar het rotsblok waar het hert had gestaan. Hij zag dat het hert spoorloos verdwenen was.

    Het stemde Dsambolat verdrietig dat hij het hert niet had weten te raken. Waren mijn broers bij mij geweest, zo dacht hij, dan zou het hert niet zijn ontkomen. Dan ontdekte hij dat er op het rotsblok verse bloeddruppels lagen. Dat betekende dat Dsambolat het hert tóch had geraakt. Het ging er nu om te ontdekken waarheen het gewonde dier was gevlucht.

    Dsambolat zwierf over de smalle bergpaden in alle richtingen. Hoe hij ook zocht, hij vond het gewonde hert niet. Treurig gestemd besloot hij terug te keren naar zijn broers – met lege handen. Die avond wilde hij zelfs niet eten. Hij ging bij het vuur liggen en sliep in. In zijn slaap hoorde hij dichtbij zijn oor een stem zeggen:
    “Waar de morgenzon het eerst de aarde heeft beschenen,
    daarheen is het gewonde hert verdwenen.”
    Dsambolat ontwaakte, sprong overeind, wreef zich de ogen uit en luisterde scherp. Hij hoorde alleen de nachtelijke stilte. De stem die hij in zijn slaap had gehoord, zweeg als hij wakker was. Zodat Dsambolat besloot dat het allemaal een droom was geweest. Hij ging liggen en was spoedig weer in diepe slaap.

    Vlak voor de eerste ochtendschemer de duisternis verdreef, hoorde de slapende Dsambolat opnieuw de stem, die zei:
    “Waar de morgenzon het eerst de aarde heeft beschenen,
    daarheen is het gewonde hert verdwenen.”
    Nu sprong Dsambolat op, hij verliet het huis en liep zo snel hij kon over een smal bergpad naar een hoge bergtop. Vandaar had hij het uitzicht op de bergen in het oosten. Hij zag dat de eerste straal van de morgenzon een donkere rotsspleet verlichtte, een rotsspleet in het midden van een steile bergwand.

    Nog diezelfde morgen ging Dsambolat goed bewapend op weg naar de bergwand. Toen hij er na een paar uren van klimmen en lopen aankwam, zag hij dat de bergwand zo steil was als een muur en zo glad als marmer; halverwege de top was de donkere rotsspleet.

    “Hoe kan ik daar ooit komen?” vroeg Dsambolat zich af. “Ik zou vleugels moeten hebben als een adelaar óf scherpe nagels als een wilde kat.” Nauwelijks had hij dat gedacht of zijn vingers veranderden in klauwen, klauwen zoals een wilde kat heeft.

    Dsambolat sloeg zijn scherpe nagels in de bergwand en klauterde als een wilde kat omhoog. Hij bereikte de donkere spelonk. Hij ging er naar binnen en wat vond hij er? Midden in de spelonk was een stenen verhoging en daarop lag een dode man, die met zijn hand een stuk perkament vast omsloten hield.

    Verbaasd keek Dsambolat naar de dode man en tegelijk dacht hij: “Maar waar is het hert?” Hij liep op de dode man toe, nam het stuk perkament uit zijn hand en las wat erop geschreven stond:

    “Als je de dapperste van alle jagers bent, trek er dan op uit om de reus Een-Oog te doden. Hij leeft in het Witte Gebergte en is de vijand van alle mensen. Ik heb mijn ouders en mijn broers en zusters, ja mijn eigen leven verloren door de wreedheid van de reus Een-Oog. Ikzelf kan geen wraak meer nemen. Jij wel! Als het je lukt om de reus Een-Oog te overwinnen, zul je de rest van je leven een gelukkig mens zijn en je zult het mooiste meisje van de wereld als bruid krijgen. Maar als je mijn dood niet wreekt, zullen schade en schande je deel zijn en je zult nooit met een ander mens geluk vinden.
    Dsambolat stak het stuk perkament bij zich. Voor hij de spelonk verliet sprak hij plechtig: “Ik zal deze ongelukkige wreken! Ik zal niet rusten voor ik de reus Een-Oog heb overwonnen!”

    III. DE GOUDEN RING VAN DE GROTE BERGBEWONER

    Dsambolat verliet de spelonk en klauterde omlaag langs de gladde muur, zich vasthoudend met zijn katachtig scherpe klauwen. Zodra zijn voeten de grond raakten, werden de klauwen weer mensenhanden. Dsambolat trok naar het Witte Gebergte om er de reus Een-Oog te zoeken. Hij zwierf door diepe dalen en rotskloven, langs steile berghellingen en over kronkelende bergpaden. De nacht kwam en nog steeds trok Dsambolat verder. Hij was niet bang voor de diepe duisternis, die als een zwarte mantel over de aarde lag. Hij kende de weg in het gebergte als geen ander.

    De hele nacht liep Dsambolat verder. De dag brak aan. Dsambolat zag tussen de omtrekken van bergen en bomen, opdoemend uit de grijze schemer, een menselijke gestalte. Het was een bergbewoner die hij daar aantrof; een bergbewoner die met een lange zilveren ketting aan de rotsgrond was vastgeketend. Het ene uiteinde zat vast aan een zilveren band die om zijn enkel was gesmeed, het andere uiteinde zat onwrikbaar in de granieten bodem.

    De bergbewoner zag Dsambolat naderen en sprak: “Eindelijk zie ik weer een ander mens, na zoveel jaren van eenzaamheid die ik doorbracht als een geketende. Waarheen ben je onderweg, dappere jager?”

    Dsambolat antwoordde: “Ik ben op weg naar het hol van de reus Een-Oog, dat in het Witte Gebergte ligt. Ik ben op weg om wraak te nemen op de reus Een-Oog, want hij heeft een onschuldig mens gedood.”

    “Je hebt een geweldig moeilijke taak op je genomen,” zei nu de bergbewoner. “Luister eerst naar mijn geschiedenis. Heel lang geleden is het al, dat ik hier in de bergen woonde met mijn lieve en flinke vrouw. We hadden samen een gelukkig leven. Tot op een dag de reus Een-Oog, die in het Witte Gebergte leeft, ons overviel, mij vastlegde aan deze ketting en mijn vrouw ontvoerde naar zijn hol. Ik geloof niet dat het mogelijk is de reus Een-Oog te overwinnen. Je zult zeker omkomen!”Dsambolat dacht over deze woorden ernstig na, voor hij zei: “Het is beter te sterven dan mijn gelofte te breken. Ik zal verder gaan naar het hol van de reus Een-Oog.”

    “Doe het niet. Keer terug naar je dorp!”

    “Nee, ik wil mijn gelofte niet breken. Ik zal gaan naar het hol van de reus en als het moet zal ik omkomen!”

    De bergbewoner was verbaasd over zoveel dapperheid. Hij schudde zijn hoofd en zei: “Doe wat je zelf het beste lijkt. Mijn raad wil je niet aannemen. Neem dan deze gouden ring van mij aan en steek hem aan je wijsvinger. Deze ring weet de weg naar het hol van de reus Een-Oog. Als je er bent en je ziet de reus in levende lijve, draai dan deze ring drie maal rond en spreek een wens uit. Wat je wenst zal dan in vervulling gaan. Ik geef je de ring op één voorwaarde: je moet hem laten zien aan mijn vrouw die door de reus gevangen wordt gehouden. Zij zal je, als ze de ring ziet, zeggen wat je verder doen moet.”

    Dsambolat nam de ring van de bergbewoner aan en stak hem aan zijn ringvinger. Daarop namen de twee mannen afscheid van elkaar.

    Dsambolat trok alleen verder in de richting van het Witte Gebergte. Nu hij de ring van de bergbewoner droeg, was het alsof de witte bergtoppen hem onweerstaanbaar aantrokken, zoals ijzer wordt aangetrokken door een magneet.

    IV. DE STRIJD MET DE REUS EEN-OOG

    De gouden ring was voor Dsambolat als een kompas. Als hij even twijfelde welke van de vele bergpaden hij zou inslaan, trok de ring hem uit zichzelf de goede kant op. Zo trok Dsambolat voort. Of beter gezegd: zo trok de ring hem voort.

    Tegen de middag kwam Dsambolat aan in het gebied van de reus Een-Oog. Hij rustte uit op een hoogte en verkende de omgeving met zijn ogen. Aan alle kanten zag hij spitse en door sneeuw bedekte bergtoppen. “Zou de reus Een-Oog nog ver zijn?” vroeg Dsambolat zich af. Het antwoord werd gegeven door het verschijnen van de reus Een-Oog in eigen persoon.

    Van achter een bergtop kwam de wrede en ijzersterke reus te voorschijn. Hij sleepte dikke bomen achter zich aan alsof het dunne twijgjes waren. Midden op zijn voorhoofd stond het bloeddoorlopen oog waarmee hij dreigend de wereld om zich heen bekeek. Hij droeg een pelsmuts, die zo groot was dat drie paarden onder dat hoedje gevangen hadden kunnen worden. Uit de borstzak van zijn reuzen jak staken berkenbomen hun kruinen naar buiten. Met de slippen van zijn jas zou een heel dorp toegedekt kunnen worden.

    Dsambolat begreep, zodra hij de reus zag, dat hij hem op zijn eentje niet de baas zou kunnen. Hij draaide drie maal de gouden ring om zijn vinger en zei hardop: “Ik wens dat mijn twee broers hier zijn.”

    Hij was nog niet uitgesproken en de echo van de bergen was nog bezig zijn woorden te herhalen, toen ze al naast hem opdoken: Bimbolat en Kaspolat! Ze vroegen dadelijk allebei tegelijk: “Waarom heb je ons geroepen? Heb je soms onze hulp nodig? Kun je de jacht niet meer alleen tot een goed einde brengen?”

    Dsambolat antwoordde: “Deze keer, beste broers, gaat het er niet om op dieren te jagen. Deze keer moeten we het opnemen tegen een geweldige reus! Tegen de reus die daar springend over de bergen komt!”

    Nu zagen de twee broers, die even tijd nodig hadden gehad om aan hun nieuwe omgeving te wennen, de verschrikkelijke reus van de bergen afdalen; links en rechts dikke bomen ontwortelend en als takjes naast zich neer smijtend, wat gepaard ging met groot geraas en gedreun.

    Bimbolat schudde beslist zijn hoofd en Kaspolat deed hetzelfde. “Hoe kom je erbij, Dsambolat, dat wij in staat zouden zijn met ons drieën die geweldenaar onschadelijk te maken!? Nee, we willen hem niet uitdagen en we verbieden jou als oudere broers om hem kwaad te maken of lastig te vallen!”

    De dappere Dsambolat antwoordde: “Als jullie mijn broers zijn, dan helpen jullie me. Als jullie je niet langer mijn broers wilt noemen, dan gaan jullie terug naar huis. Dan zal ik het wel helemaal alleen opnemen tegen Een-Oog!”

    Die woorden joegen de oudere broers het schaamrood naar de wangen. Ze zeiden: “Wat jij durft, Dsambolat, durven wij ook! Kom, we gaan op de reus jagen!”

    Dsambolat was blij dat zijn broers hem niet in de steek lieten. Ze begonnen met de reus te volgen. De reus had hen nog niet opgemerkt en zijn spoor was niet moeilijk na te gaan. Overal waar hij had gelopen, stonden diepe voetafdrukken waarop een huis gebouwd had kunnen worden en de ontwortelde en platgetrapte bomen lagen links en rechts bij bosjes.

    Tenslotte beklom de reus een hoge berg. In die berg was een ijzeren poort zo hoog als een toren. Die ijzeren poort trok de reus open en hij liep naar het binnenste van de berg, een aantal bomen meeslepend voor het vuur dat binnen brandde en waarvan een zwarte rook uit de berg ontsnapte; wat de berg deed lijken op een vulkaan.

    Met een dreun als een donderslag viel de ijzeren poort weer dicht. De reus was in zijn hol. De drie broers stonden voor de ijzeren poort.

    “Deze poort is te zwaar voor ons om open te doen,” oordeelde Bimbolat.

    “De reus is ons ontsnapt,” zei Kaspolat.

    “Nog voor de zon ondergaat, zijn wij in het hol van de reus,” besloot Dsambolat. “Luister wat ik heb uitgedacht. Ik klim bovenop de berg en ga dan naar beneden tot ik bovenop de ijzeren richel ben, die als een afdakje boven de poort uitsteekt. Jullie blijven hier staan en als ik op mijn hoge post ben aangekomen, rapen jullie zware keien op en gooien die tegen de poort. Dat gaat de reus gauw genoeg vervelen. Hij zal de poort opendoen en op de drempel blijven staan om te kijken wie hem lastig vallen. Dan boor ik van bovenaf mijn lans in zijn kruin.”

    “Geen slecht plan,” zei de oudste broer. “Al ben je dan jonger dan ik, je bent niet dom.”

    “Een best plan,” zei ook de middelste broer. “Al ben je jonger dan ik, laten we het erop wagen!”

    Een half uur later zat Dsambolat op de richel boven de poort. Bimbolat en Kaspolat raapten zware keien van de grond en begonnen met ijver de poort te bekogelen. De reus moest het zeker kunnen horen, want iedere keer dat er een kei tegen de poort vloog, dreunde het ijzer als een reusachtige gong. Maar voorlopig deed hij alsof hij het niet hoorde en liet de broers rustig doorgaan met gooien, zoals een kat die even wacht voor hij een klein muisje bespringt.

    Intussen zat Dsambolat op de richel boven de poort te wachten. De vermoeienissen van de afgelopen dagen maakten dat hij in slaap viel. Zo kwam het dat Dsambolat, leunend op zijn lans, zat te slapen toen de poort eindelijk openvloog en de reus op de drempel verscheen. Met zijn ene oog keek de reus dreigend en spottend neer op de twee stenengooiers. Hij brulde: “Kwajongens! Hoe halen jullie het in je domme koppen om hier keien te komen gooien! Adelaars gaan voor mij op de vlucht, beren en wilde zwijnen vluchten voor mij als hazen, maar jullie hebben het lef om mij hier voor mijn eigen hol te komen treiteren!”

    De twee broers versteenden bijna van schrik. Dan nam Bimbolat, die het hardste kon lopen, Kaspolat op zijn rug en hij ging er als een pijl vandoor.

    “Jullie ontsnappen mij niet, ellendige kwajongens!” brulde de reus.

    Met dreunende stappen beende hij de vluchtende jagers na. Al kon hij harder lopen dan ieder andere jager, tegen de reus kon Bimbolat niet op. De twee vluchtende broers waren dan ook ten dode opgeschreven en hadden even weinig kans om te ontsnappen als een paar ratten uit een dichte val.

    Gelukkig werd van al het dreunen en razen de dappere Dsimbolat wakker. Toen hij zag wat er aan de hand was, werd hij wit van schrik. En hij werd zo woedend op de reus die zijn broers wilde doden, dat hij een ongekende kracht in zich voelde. Hij nam de lans in zijn rechterhand en wierp hem met reuzenkracht de rennende Een-Oog achterna. De lans snorde door de lucht met de snelheid van een verschietende ster en boorde zich in de rug van de reus, precies tussen de twee schouderbladen.

    De reus stond stil en sidderde als een boom waarin de bijl wordt gezet. Hij wankelde en viel als een omgehakte boom, met een dreun op de grond waar hij bleef liggen, even dood als een liggende boom. Van vreugde en opluchting riep Dsambolat met een stem als een trompet: “Blijf maar staan, jongens! Jullie hoeven niet meer te rennen. De reus is niet gevaarlijk meer. Hij ligt op de grond als een gevelde boom en zal nooit meer opstaan!”

    Maar de schrik zat er zo in bij Bimbolat en Kaspolat dat ze bleven rennen tot ze in hun dorp terug waren. Daar bleven ze echter niet lang. Want Dsambolat draaide zijn gouden ring drie maal om en zei: “Ik wens dat mijn broers weer bij me zijn!”

    In een wip waren Bimbolat en Kaspolat weer bij Dsambolat.

    Dsambolat zei lachend: “Hebben jullie genoeg gerend? Laten we dan het hol van de reus eens gaan bezichtigen!”

    De twee oudere broers zeiden niets, maar ze lachten als jagers die kiespijn hebben.

    V. IN HET HOL VAN DE REUS

    Het eerste wat de broers opviel in het hol van de reus was een beeldschone vrouw en het eerste wat ze hoorden was haar stem. “Wie jullie ook zijn, ik wens jullie een leven vol geluk, want jullie hebben een einde gemaakt aan de slavernij waarin ik moest leven zolang de reus Een-Oog nog mijn heer en meester was!”

    Bimbolat zei: “Wij zijn eenvoudige jagers en wij vragen ons af waarom een beeldschone vrouw de dienares is van een afzichtelijke reus.”

    Dsambolat zei nu tegen zijn broers: “Deze vrouw werd door de reus gedwongen in dit hol te leven. Haar man werd door hem vastgeketend aan de bergen waar hij met zijn vrouw gelukkig leefde voor Een-Oog hen overviel. Haar man gaf me deze gouden ring en hij vroeg me die te tonen aan zijn vrouw, zodra de macht van de reus gebroken zou zijn.”

    De vrouw herkende de ring van haar man. In haar ogen verschenen tranen van blijdschap. Ze maakte op het vuur dat de reus nog had aangestoken een heerlijke maaltijd klaar, want van al hun avonturen hadden de broers een geweldige honger overgehouden, vooral Bimbolat en Kaspolat, die zonder iets te eten te hebben gehad heen en weer gerend waren van het hol van de reus naar hun dorp. In het hol van de reus was meer dan genoeg proviand voorradig: vooral vlees en wijn, twee dingen waar reuzen dol op zijn en waar hun magen steeds vol van zijn. Behalve proviand was er een overvloed aan schatten die de reus in zijn lange leven bij elkaar gestolen had. Op een hoop gesmeten lagen daar door elkaar: diamanten en andere edelstenen, gouden en zilveren munten, sieraden, juwelen, kostbare tapijten, zeldzame weefsels, gouden en zilveren schalen, armbanden, ringen, oorhangers, gespen, kandelaars, uurwerken, teveel om op te noemen!

    De vrouw van de met zilver geketende keek vol minachting naar deze berg kostbaarheden en zei: “Moge dit alles veranderen in een duivenei!”

    Deze wens ging dadelijk in vervulling. De vrouw raapte het duivenei van de grond en gaf het aan Bimbolat met de woorden: “Jij bent de oudste, neem jij dit duivenei van mij aan als dank voor wat door jullie werd gedaan. Breng het naar jullie dorp en leg het daar op de vloer, draai het dan drie maal om en jullie zullen zien dat uit het duivenei weer de berg kostbaarheden verschijnt.”

    “Dat hoop ik van harte!” zei Bimbolat en hij nam het duivenei heel voorzichtig in ontvangst, want stel je voor dat al die rijkdom zou breken en er niets overbleef dan eigeel en stukjes eierschaal!

    “Het eerste wat we nu moeten doen,” zei Dsambolat, “is zorgen dat de zilveren ketting, waarmee de bergbewoner aan de bodem is geketend, wordt verbroken. Laten we op weg gaan!”

    De drie broers reisden samen met de vrouw van de bergbewoner naar het Zwarte Gebergte. De ring trok hen vanzelf naar de plek waar de bergbewoner met zilver geketend was. Zodra ze er aankwamen, draaide Dsambolat drie maal de ring om zijn vinger en hij zei: “Moge deze zilveren ketting verpulveren tot zilverkleurige as.”

    De aarde beefde, een stofwolk wervelde langs de bergwand, stenen en rotsblokken vielen met donderend geweld in diepe afgronden en… de zilveren ketting verpulverde tot zilverkleurige as.

    Zielsgelukkig rekte de bergbewoner zich uit en zei: “Dappere jagers, jullie hebben mijn vrouw teruggebracht en mij bevrijd uit boze macht. Moge jullie leven vol geluk en vreugde zijn. Als beloning voor jullie dappere daden geef ik de gouden ring aan de dapperste van jullie. Moge deze ring hem trouw blijven dienen. Moge deze gouden ring hem leiden naar het land waar hij zijn vrouw zal vinden, geen gewone vrouw, maar een beeldschone prinses, de mooiste prinses van de hele wereld.” Met deze woorden gaf hij Dsambolat de gouden ring.

    De drie broers namen afscheid van de bergbewoner en zijn vrouw. Ze reisden samen verder tot ze aan de grens van hun dorp waren gekomen. Daar bleef de dappere Dsambolat stilstaan. Hij sprak: “Bimbolat en Kaspolat, gaan jullie samen verder en neem het duivenei mee naar de hut van een van jullie twee. Verdeel de schatten die er uitkomen onder elkaar. Ik deel niet mee. Ik vraag voor mijzelf geen rijkdommen. Ik vraag dat deze gouden ring mij zal brengen naar het onbekende land waar de mooiste prinses van de hele wereld woont.”

    Na die woorden draaide hij zich om en met vastberaden stappen begon hij aan een lange reis naar onbekende streken.

    VI. NAAR HET ONBEKENDE LAND

    Vol vertrouwen op de weg die de ring hem wees, trok Dsambolat door vreemde landen en streken tot hij aankwam in een armelijk deel van een bergachtig land. Daar gebeurde het op een avond dat hij aanklopte bij een nederige berghut en riep: “Is hier plaats voor een vreemdeling om de nacht door te brengen?”

    De deur werd opengedaan door een oud vrouwtje. Ze zei hartelijk: “Wees welkom, vreemdeling!”

    Dsambolat merkte aan de goede zorgen waarmee het oudje hem omringde dat hij werkelijk welkom was. Ze kookte een stevig maal en wees Dsambolat een bed met dekens van ongeverfde wol. Tenslotte kon ze haar nieuwsgierigheid niet bedwingen en vroeg: “Mag ik weten wat de vreemdeling hierheen voert?”

    “Een ring,” antwoordde Dsambolat.

    “Een ring?” lachte het oudje. “Zoek je soms een vrouw?”

    Dsambolat knikte. “Ik zoek de mooiste prinses van de hele wereld.”

    Het oudje keek plotseling heel bedenkelijk. “Beste jongen, dat zal geen peulenschilletje worden. In het land waar je nu bent, leeft de mooiste prinses van de hele wereld; dat is aan iedere inwoner bekend, maar ook weet iedereen dat ze gevangen wordt gehouden door haar vader. Ja, onze koning is een wrede en jaloerse man die het niet verdragen kan dat zijn dochter zou gaan houden van een vreemdeling en hij beschouwt iedereen die niet onder zijn dak geboren is als een vreemdeling! Veel mannen die met de prinses wilden trouwen zijn je al voorgegaan naar het kasteel waar de prinses wordt bewaakt. Door geen van deze mannen werd zij geschaakt. Geen van deze mannen is nog levend teruggekomen uit dat kasteel. Luister naar de raad van een oude vrouw die in haar lange leven een snufje wijsheid heeft vergaard en zuinigjes heeft opgespaard! Keer terug naar het land waar je vandaan komt. Gebruik je hoofd en blijf het gebruiken. Laat het niet afhakken op last van onze koning. Heus, keer terug naar je eigen land!”

    Vastberaden antwoordde de dappere Dsambolat: “Nooit zal ik alleen terugkeren naar mijn eigen land. Ik zal er pas terugkeren als ik mijn bruid bij mij heb. En mijn bruid wordt de koningsdochter over wie u sprak!”

    Het oudje knikte berustend en zei: “Ik merk wel dat jij je niets uit je hoofd laat praten. Doe wat je het beste lijkt. Slaap er in ieder geval nog een nachtje over.”

    Dat deed Dsambolat zonder dat het hem tot andere gedachten bracht.

    De volgende morgen stond Dsambolat vroeg op en waste zich bij de bron die naast het huisje van de oude vrouw uit de bergwand stroomde. Voor hij zich waste, legde hij de gouden ring op een steen naast de bron. Toen hij zich gewassen had, vergat hij de ring weer aan zijn vinger te doen. De gouden ring bleef liggen op de steen en blonk in de zon.

    Het oudje had intussen voor Dsambolat een hartig ontbijt klaargemaakt. Terwijl hij dat soldaat maakte vertelde ze: “Jij maakt dat ontbijt soldaat, maar onze koning doet net andersom! Luister, dan zal ik je uitleggen wat ik bedoel. Onze koning heeft op een morgen al zijn soldaten veranderd in lepels, vorken en messen. Die lepels en vorken en messen liggen overal op de vloer in het kasteel waar de prinses gevangen zit. Als nu iemand het kasteel binnengaat, wordt al dat huisraad weer soldaat. Dat wil zeggen: het duurt een kwartier voor de vorken en lepels en messen als soldaten opspringen om de binnendringer te omringen. En dan zijn ze heus niet gewapend met vorken en messen en lepels, maar met vlijmscherpe zwaarden en puntige lansen.”

    “Dat ziet er lelijk voor me uit,” moest Dsambolat toegeven.

    “Ik zal je een goede raad geven,” zei het oudje en ze schilde voor Dsambolat een appeltje. “Zo gauw als je binnen het kasteel bent moet je alle lepels en vorken en messen die je ziet liggen achterstevoren leggen. Onthoud goed: we leven in een omgekeerde wereld, dus als je de dingen in die wereld een slag draait komt alles weer goed te liggen. Als je dat huisraad dus hebt omgedraaid, draai je jezelf om en dan zul je een houten deur zien. Doe die open en dan zie je een stenen deur. Doe die open en dan zie je een koperen deur. Doe die open en dan zie je een bronzen deur. Doe die open en dan zie je een ijzeren deur. Doe die open en dan zie je een zilveren deur. Doe die open en dan zie je een gouden deur. Hoeveel deuren heb je me horen noemen?”

    “Zeven!” zei Dsambolat. “Hout, steen, koper, brons, ijzer, zilver en goud! En wat komt daarna?”

    “Daarna ben je bij de prinses! Ze zit in een zaaltje en verveelt zich of ze bedenkt een verhaaltje. Als ze bij jouw binnenkomen haar ogen neerslaat, dan gaat alles goed. Maar als ze je strak blijft aankijken, dan wordt het niets met de hele onderneming. Meer kan ik je niet vertellen. Ik ben niet gewend zo lang achter elkaar te praten. Ga nu naar het kasteel en hopelijk zien we elkaar nog eens terug, want je lijkt me een jongen die verdient dat het goed met hem gaat!”

    VII. DE MOOISTE PRINSES VAN DE WERELD

    Na een halve dagreis bereikte Dsambolat een kasteel met vier torens en vele sterke poorten. Rondom het kasteel was een muur van zwart graniet. Maar de ophaalbrug was neer en de voorpoort stond open. Dsambolat aarzelde niet en ging het kasteel binnen. Hij kwam in een ruime zaal waarvan de vloer bezaaid was met vorken, lepels en messen. Het waren er zoveel dat het een heel karwei zou zijn ze allemaal een voor een om te draaien.

    “Ik doe het anders,” dacht Dsambolat. “In plaats van al die vorken en lepels en messen draai ik drie keer mijn ring om en wens dat al die betoverde soldaten zich uit zichzelf een keer omdraaien en niet meer bewegen voordat ik met de prinses veilig in mijn land ben aangekomen.”

    Pas toen merkte hij dat hij de gouden ring niet had! Wat nu? Terugkeren naar het huisje van de oude vrouw? Nee, daarvoor was het al te laat. Vliegensvlug begon Dsambolat alle vorken, lepels en messen om te draaien, dus tóch met zijn handen. Daar ging heel wat tijd mee heen en in zijn haast zag hij één houten pollepel over het hoofd.

    2
    23
    • Rukkertje Lorenzo zegt:

      Het is voor jou te hopen dat ik niet achter je adres kom. Maar lieve mensen ik kom er heeeeeel graag achter

      0
      0
  12. Jan Roos zegt:

    *Hik* Ik schrok even, daar gaat mijn cashcow. gelukkig leeft hij nog en gaat hij niet naar de gevangenis. Als ik hem moet geloven in ieder geval, we liegen natuurlijk alles aan elkaar normaal gesproken. Nou vort, allemaal 5 euro overmaken, er komt weer eens een owinbare rechtzaak aan. bijna 11 uur, proost! tijd voor bierpils!

    6
    7
  13. Jeroen zegt:

    Is je broer dat met die spleetogen of is dat een ander familielid??Erg benieuwd naar Woensdag want dan komt er vast een sccooopp voorbij over dit voorval.En Dennis waneer komt je zus weer eens langs in Roddelpraat???

    8
    0
  14. Clubber Lang zegt:

    Zet er godverdomme nou een moderator tussen. 30 reactie per artikel keuren is geen echte moeite, toch?
    Of zeg die reactie uit.
    Kansloos

    24
    0
  15. Nieuw nieuws zegt:

    Schouten de messensteker voortaan, uit het achterlijke inteeltdorp Glanerbrug.
    Nu hebben beide sukkels Roos en nu Schouten een strafblad
    Geen kans meer voor een eigen kanaal bij de npo
    😂😂😂😂🔪🔪🔪🔪🤮🤮🤮🐷🐷🐷🐷🍺🍺🍺🍺🍺
    De bolle schreeuwende alcoholist
    En het jongetje met spraakgebrek en babyface

    4
    24
  16. Tip van flip zegt:

    Kunnen jullie niet een “lees meer” functie gebruiken bij de reacties?

    Zodra een bericht tyfus lang is dat deze niet helemaal in beeld komt, tenzij je op “lees meer” drukt.

    Hoef de bijbel niet te lezen

    28
    2
  17. Pater Notte zegt:

    Ik kom hier altijd vanwege die heerlijke stichtelijke en rustgevende Bijbelteksten. Maar dan niet in mijn mond natuurlijk, dat mag niet van de kerk.

    4
    0
  18. Rikkie Deen zegt:

    Ik denk dat John de Mol die Bijbelteksten wel eens zou kunnen plaatsen hier. Hij heeft spijt van al z’n zonden waarschijnlijk en slechte shows en wil zo weer de balans in zijn leven terug brengen en het goede voorbeeld aan ons geven.

    15
    0
  19. Fanny Chantal zegt:

    Kan die reli-spam ook verwijderd worden? 1X is leuk, maar dit verpest zo de leesbaarheid en overzichtelijkheid van de reacties hier. Waarschijnlijk is dat ook de bedoeling.

    18
    2
    • De clitpiercing van de reaguurder boven deze post zegt:

      Dat is gwn die Rik aka Gordonpiemelboy. Hij heeft geen leven.

      7
      0
  20. Dr. P. Nis zegt:

    Ik heb van spionnen gehoord dat het ging om een spoed transitie van zijn broer. Bij het verwijderen van de penis van Dennis’ broer ging het fout. Dennis wilde hem nog 1 keer in zijn mond voelen terwijl de plaatselijke slager al aan het snijden was. Het mes raakte een stukje soa lip van Dennis waarna het pus in de nieuwe vagina van zijn broer spoot. Zijn broer hield het niet meer en kwam luidruchtig tot een hoogtepunt waarop hij een schreeuw van ontlading liet horen. Omstanders grepen in omdat ze dachten dat de slager hem pijn deed tijdens de plastische ingreep. Nadat de broer op het politie buro een verklaring had afgelegd keerde de rust weer terug in het inteeltDorpje. Eind goed al goed

    6
    8
  21. Johnemon zegt:

    Als antwoord hierop kun je maar één ding dien. Je kogelvije kuif laten doorgroeien tot aan de grond.
    Waar blijft de Roelvink parodie video?

    1
    0
  22. Anoniem zegt:

    Dennis zijn broer heeft een slechte naam in het dorp. Hij kwam een keer dreigend op een kameraad van mij af met een kapot geslagen bier fles. Het wordt tijd dat dit tuig zijn verdiende loon krijgt. Dennis jij bent ook geen lieverdje maar jou broer hoort in de tbs kliniek thuis!

    1
    0
  23. Rechtvaardige Rechter zegt:

    Als ge zoveel commentaar hebt op onze dennis en jan waarom kijkt men dan nog en waarom houd men zich bezig met op de site/app hele tijd hun zitte uitmaken?
    Als je hun niet moet hebbe,kijk er dan ook niet naar,telkens commentaar geven is zoals water naar de zee dragen
    Totaal nutteloos en met comments help je aleen maar RD door extra bezoekers en extra activiteit op de app/site
    Dus ofwel steun je roddelpraat ofwel boeit het je niet en laat je ze links liggen.
    Maar hele commentaar geven hier is volledig nutteloos en heeft een omgekeerd effect,u brengt juist zo meer aandacht aan deze figuren!
    Van mij mag roddelpraat nog jaren doorgaan en nog veel groeien!
    Eindelijk eens een ongezoute mening en politiek incorrecte show…
    Dat hebbe mensen nodig!

    4
    0

Reacties zijn gesloten.