Luca Borsato laat muziek horen

Met veel bombarie en emoties kondigde de zoon van Marco aan dat ie ging zingen. Even een paar dagen in het nieuws wegens vermeende doodsbedreigingen (wat trouwens bij sommige mensen nooit als nieuws wordt gebracht). Maar nu laat hij dan toch alvast iets van zijn muziek horen.

De aankondiging is in een koddig Amerikaans accent en geeft je het gevoel dat ie extra goed werkende vezeldoekjes wil verkopen bij Tel Sell, maar dan begint het plaatje toch echt. En dat is ja, weer een van de zovelen die met een computer zijn stem laten rechtbuigen en dan denkt te kunnen zingen.

21 reacties op “Luca Borsato laat muziek horen

  1. Marko Prostato zegt:

    Ik vind het nummer niet echt slecht eerlijk gezegd maar ik ben inmiddels wel een beetje klaar met al die kinderen van BN-ers die hun familienaam schaamteloos gebruiken om BINNEN te komen en dat geld ook voor de Oranjes. Nepotisme Nederland.

    23
    0
  2. Over het schrift zegt:

    DE KONSEKWENTIES HIERVAN VOOR De prediking

    B. J. Oosterhoff

    Inleiding

    Het is duidelijk, dat de wijze waarop de Heilige Schrift wordt uitgelegd, direkt voor de prediking konsekwenties heeft. De prediking dient te zijn uitleg en toepassing van de Heilige Schrift. Dus in de eerste plaats uitleg. Daar waar de prediking in de geschiedenis van de christelijke kerk geen uitleg van de Schrift is. maar bijvoorbeeld moraal-of mottoprediking, heeft dit eveneens zijn gevolgen. Maar ook dan wanneer de prediking haar uitgangspunt vindt in de Heilige Schrift, maakt het verschil welke uitleg men kiest.

    In de loop der eeuwen is de Schrift niet altijd op dezelfde wijze uitgelegd en het is een boeiende bezigheid om na te gaan hoe mensen de eeuwen door zijn bezig geweest met het verstaan en de uitleg van de Heilige Schrift.

    Blijvende aktualiteit

    Dat mensen de eeuwen door zijn bezig geweest met de uitleg van de Heilige Schrift hangt overwegend samen met het geloof in de blijvende aktualiteit van de Heilige Schrift als Woord Gods. Dat geldt zowel voor joden als voor christenen. Voor beiden is wat christenen gewoon zijn het Oude Testament te noemen en de joden als tenach aanduiden meer dan een historisch document uit een ver verleden. Voor beiden is de Schrift Woord Gods, dat wel in het verleden en in bepaalde situaties is gesproken, maar aktueel bedoelt te zijn voor alle eeuwen en als zodanig ook de eeuwen door moet verkondigd en doorgegeven worden.

    Wanneer de uitleg van de Schrift geschiedt vanuit deze geloofsovertuiging, gaat het om meer dan een louter grammaticaal en historisch verstaan van de tekst; dan komt de vraag naar boven wat deze Schrift óns te zeggen heeft en hoe de boodschap daarin, die vrijwel steeds verbonden is met geheel andere situaties dan die waarin wij verkeren, door óns moet worden verstaan en uitgelegd met het oog op ónze tijd en ónze situaties.

    Dat betekent, dat de uitleg van de Schrift nooit los staat van de tijd, waar-

    in ze wordt beoefend. Elke tijd is niet gelijk en elke tijd kent zijn eigen vragen en elke tijd zoekt zijn eigen antwoorden. Men is de eeuwen door niet steeds op dezelfde wijze bezig met de Schrift. In veel opzichten doet men dat thans op een andere wijze dan bijvoorbeeld in de oude kerk en in de middeleeuwen.

    Daaruit blijkt hoe vragen en inzichten kunnen wisselen, maar ook welke onuitputtelijke rijkdommen in de Schrift liggen opgesloten. Niet elke generatie put dezelfde rijkdommen uit de Heilige Schrift. Het is daarom ook niet mogelijk wat de uitleg van de Schrift betreft zich op één generatie vast te pinnen of die zonder meer normatief stellen. Ook van de Schrift geldt wat Paulus zegt van de kennis van Christus: dat we de volle rijkdom daarvan slechts kunnen verstaan ‘met alle heiligen’. We hebben elkaar nodig, door de eeuwen heen. Elke generatie heeft rijke schatten opgediept uit de Schrift en het is dom en slechts tot eigen geestelijke schade daaraan voorbij te gaan. Wat de reformatie in de Schrift gezien en daaruit opgedolven heeft is van wezenlijke betekenis voor de kerk van Christus. Maar ook wat de kerkvaders daaruit hebben opgedolven is van onschatbare waarde en de middeleeuwen mogen niet als uitsluitend een duistere periode in de geschiedenis van de kerk worden aangemerkt. Kuyper heeft opgemerkt dat de Heilige Geest in de loop der eeuwen steeds voortgaat om de mening des Geestes, gelijk die in de Heilige Schrift is neergelegd, steeds zuiverder en rijker aan de kerk te vertolken.^ Maar dan mogen we ook niet aan wat de Heilige Geest in vroeger eeuwen door middel van de uitleg van de Schrift aan de kerk ontsloten heeft thans achteloos voorbijgaan.

    Maar elke tijd kent ook zijn beperktheden wat betreft het verstaan van de Schrift. Schriftuitleg, ook al wil de Geest zich daarvan in de kerk bedienen, blijft mensenwerk. En mensen zijn beperkt. ledere Schriftuitlegger is kind van zijn tijd. En dat blijkt in de uitleg van de Schrift. Niet alleen dat men de Schrift tracht te verstaan met het oog op de vragen van eigen tijd, zodat soms in de ene periode andere facetten en rijkdommen uit de Schrift naar voren komen dan in een andere periode – door deze beperktheid dreigt altijd het gevaar van de kleine bijbel – , maar ook dat allerlei denkvormen en methoden, eigen aan een bepaalde tijd, niet nalaten invloed uit te oefenen op de wijze waarop men de Schrift verstaat en uitlegt. Een objectieve uitleg van de Schrift, die los staat van het subject van de uitlegger en van de invloeden die elk vanuit zijn eigen tijd ondergaat, bestaat niet. Dat moet elke uitlegger van de Schrift voorzichtig en ootmoedig maken en voor hem een waarschuwing zijn nooit bij voorkeur eigen uitleg en methode als de enige juiste te beschouwen en elke andere bijvoorbaat als onjuist te verwerpen. Kennis te nemen van andere methoden van Schriftuitleg en andere resultaten dan die wij voor zinvol houden kan elke Schriftuitlegger en elke generatie voor eenzijdigheid behoeden, iets waarin wij mensen zo gemakkelijk vervallen.

    Terecht heeft de reformatie het ‘sola scriptura’ als uitgangspunt en grondregel niet alleen voor geloof en leven, maar ook voor de uitleg van de Schrift hoog in haar vaandel geschreven. De Schrift moet haar eigen uitlegster zijn en blijven. Scriptura ipsius interpres. Geen menselijke en eigenmachtige uitleg laat zij toe (vgl. 2 Petr. 1 : 21). Maar daarbij moeten we niet vergeten, dat we ondanks de belijdenis van dit ‘sola Scriptura’ toch telkens weer eigen beperktheden en ook zo gemakkelijk eigen gedachten bij de uitleg van de Schrift meebrengen. Wij zijn allen mensen van de eigen tijd. Ieder mens is mens in een bepaalde tijd en in een bepaalde cultuur en dat verloochent zich niet wanneer hij bezig is met de uitleg van de Schrift. Daarom juist moet het ‘sola Scriptura’ met kracht gehandhaafd blijven. Want dat roept ons steeds weer op tot een kritische bezinning op ons eigen verstaan van de Schrift en een altijd weer opnieuw onderzoeken van en luisteren naar de Schrift.

    Dat de methode van Schriftuitleg door de eeuwen heen niet altijd dezelfde is geweest en dat geen methode los staat van de tijd waarin ze wordt beoefend, kan ons de geschiedenis van de exegese leren.

    Joodse Schriftuitleg

    De joodse wijze van Schriftverklaring, zoals wij die bv. kennen uit de targoems of uit de uitleg op de Habakuk-rol van Qumran en ook uit andere joodse geschriften, was een andere dan de onze, en zelfs door ons moeilijk na te volgen. Men gaat veel minder historisch en logisch te werk dan wij menen dat daaronder verstaan moet worden, en noodzakelijk is. Niet dat die uitleg a-historisch of on-logisch mag genoemd worden, maar wat wij ‘historisch’ of ‘logisch’ noemen funktioneert daar toch anders dan in onze wijze van denken. Men gaat veel meer associatief te werk, legt vaak verbanden op de klank der woorden af, wat ons dikwijls als weinig overtuigend voorkomt. Maar we moeten niet vergeten dat we deze wijze van Schriftuitleg ook herhaaldelijk tegenkomen in het Nieuwe Testament, namelijk in de manier waarop daar oudtestamentische teksten worden uitgelegd en toegepast, een manier waarmee wij vaak grote moeite hebben. Maar blijkbaar was deze wijze van Schriftuitleg voor de eerste lezers van de geschriften van het N.T. in het geheel niet vreemd en kwam ze tot hen als zeer aanvaardbaar en ook heel overtuigend over. Blijkbaar paste ze bij de mensen van die tijd, die kennelijk met heel andere denkvormen omgingen dan wij thans, veel minder ‘historisch’ en ‘logisch’ dan wat wij daar thans onder menen te moeten verstaan en waarin wij steeds plegen te denken.’

    Kerkvaders en Middeleeuwen

    Ook de Schriftuitleg van de kerkvaders met hun sterk allegorische methode stond niet los van de cultuur van hun dagen. Zij kenden die methode uit het

    hellenisme en neo-platonische invloeden, gekenmerkt door een dualisme tussen de bovenzinnelijke wereld der ideeën en de aardse werkelijkheid der schaduwen, deden zich daarbij gelden. En geroepen om de boodschap van de Schrift te verkondigen te midden van de Grieks-Romeinse cultuur van hun dagen maakten zij gebruik van mogelijkheden en methodes eigen aan die cultuur en denkwereld. En weinigen vonden die allegorische wijze van Schriftverklaring toen vreemd. Men paste die toe en aanvaarde haar als legitiem en vanzelfsprekend. Wij kunnen en mogen die methodes van Schriftuitlegging zo in onze tijd niet meer gebruiken, maar in de ogen der kerkvaders was zij een passend en vanzelfsprekend middel om met name uit het O.T. de rijkdom van Christus te verkondigen.

    In de middeleeuwen nam men onder invloed van de kerkvaders zelfs een viervoudige zin der Schriftwoorden aan, de letterlijke, de allegorische, de morele en de anagogische, welke laatste naar boven of naar het einde wees. En hoewel het zeker niet is naar de bedoeling van de Schrift zulk een viervoudige Schriftzin op elk woord der Schrift toe te passen, heeft men toch juist gezien dat het in de Schrift om meer gaat dan slechts om een tekst uit het ver verleden, namelijk om een boodschap van God voor de toekomst en voor nu. De reformatie heeft met de allegorische uitleg van de Schrift en de gedachte van een meervoudige Schriftzin radikaal gebroken en terecht. Iemand als Calvijn legt in zijn veelvuldig exegetisch werk sterk de nadruk op de grammatikale vorm van de tekst en zijn historische context. Vooral dit laatste valt bij hem zeer sterk op. Natuurlijk blijft Calvijn daarbij niet staan. Hij tracht de geestelijke diepten der Schrift en haar goddelijke boodschap voor alle eeuwen te verstaan en door te geven, maar hij gaat uit van de tekst in zijn historisch raam. Men kan zeggen dat Calvijn daarmee de grondslag heeft gelegd voor de moderne grammatikale en historische exegese. Maar Calvijn stond daarbij ook niet los van zijn tijd. Calvijn was van huis uit humanist. En als zodanig had hij geleerd hoe met teksten moet worden omgegaan. Zijn commentaar op een geschrift van Seneca is er een bewijs van. En hoewel Calvijn evenals Luther zich diametraal stelde tegenover de geest en de leer van het humanisme, met name zijn mensbeschouwing, verloochent zijn exegetisch werk zijn humanistische opvoeding nooit geheel.

    De Aufklärung

    Onder invloed van de Aufklarung breekt zich een nieuwe wijze van Schriftverklaring baan. De Schrift wordt benaderd met dezelfde onderzoekmethoden als die op andere niet-religieuze geschriften wordt toegepast. Kritisch wordt nagegaan hoe een bijbelboek, hoofdstuk of pericoop is samengesteld, welke bronnen er aan ten grondslag liggen, hoe die zijn verwerkt, of elk onderdeel inderdaad behoort tot de tijd waarin het is geplaatst, of dat misschien aan latere toevoegingen of bewerkingen moet worden gedacht. Door zo analyserend te werk te gaan, tracht men het historisch proces, dat een bijbelboek of een onderdeel daarvan heeft doorgemaakt, op het spoor te komen.

    Afgezien van de resultaten, waartoe de literaire kritiek gekomen is, moet worden opgemerkt dat een onderzoek naar het ontstaan en de groei van de Schrift legitiem is. De bijbel is immers niet kant en klaar uit de hemel komen vallen en evenmin hier op aarde ‘in einem Guss’ geschreven. Daar zijn meer dan duizend jaar voor nodig geweest en er hebben vele handen aan gewerkt. Het literair-kritisch onderzoek heeft onomstotelijk aangetoond, dat het proces, waarin de Schrift in de loop van eeuwen is tot stand gekomen, veel ingewikkelder is geweest dan vaak is gedacht en dat de Schrift zeker niet zó mechanisch is ontstaan, dat bijbelschrijvers moeten worden gezien als een soort secretarissen van de Geest en eenvoudig neerschreven wat hun werd gedicteerd.

    Het feit dat de bijbel Gods Woord is, geïnspireerd door de Heilige Geest, neemt niet weg, dat mensen hem hebben tot stand gebracht en dat alles op menselijke wijze is toegegaan. Bavinck zegt er van, dat de Heilige Geest bij het beschrijven van Gods Woord niets menselijks heeft versmaad om tot orgaan te dienen van het goddelijke.*

    Natuurlijk kan men zó eenzijdig op het menselijke in en aan de Schrift en op het historisch proces waarin zij tot stand kwam, de nadruk leggen, dat men voor haar openbaringskarakter geen oog heeft of dat zelfs geheel ontkent, maar anderzijds verschraalt men het werk van de Geest, wanneer men aan zijn gang in de geschiedenis met betrekking tot Gods openbaring en de totstandkoming van de Heilige Schrift voorbijgaat.

    Juist door aandacht te schenken aan de wijze waarop de Schrift ‘geworden’ is, eren wij de Geest en krijgen wij inzicht in zijn wijze van werken. Tegenover een verduisteren van het goddelijk karakter der Schrift staat een verduisteren van de wijze waarop de Heilige Geest bij de wording van de Schrift is te werk gegaan.’

    We kunnen in onze tijd het literair-kritisch onderzoek van de Schrift niet meer missen, ‘om ons – zo merk Kuyper op – een steeds helderder inzicht in het organisme der Schrift te verschaffen’.*

    Dat betekent niet dat de resultaten, waartoe het literair-kritisch onderzoek gekomen is, altijd juist of aanvaardbaar zijn en niet steeds kritisch moeten bezien worden. Maar door het literair-kritisch onderzoek hebben we toch meer inzicht gekregen in de samenstelling van de Schrift en haar onderdelen en het historisch proces waarin deze plaats had.

    Nauw met het literair-kritisch onderzoek is verbonden het historisch-kritisch onderzoek, dat zich kritisch richtte op de geschiedverhalen en het geschiedenisbeeld, dat de Schrift ons geeft. De geschiedverhalen werden daarbij niet beoordeeld naar hun eigen aard en boodschap, maar naar eigentijdse op-

    vattingen van geschiedbeschrijving, waaraan de bijbelverhalen vanzelfsprekend niet voldoen (bijbelschrijvers waren nu eenmaal geen moderne historici) en daarom felle, afwijzende kritiek ontvangen. Kuenen en Wellhausen spraken zelfs van geschiedvervalsing in de bijbel en trachtten wat zij noemden ‘de ware geschiedenis’, dus wat echt zou zijn gebeurd, te reconstrueren. Ze lieten zich daarbij leiden door logische redenering en door analogie. Gebeurtenissen die geen enkele analogie in de rest van de geschiedenis hebben, moeten als onwerkelijk worden beschouwd. En het is duidelijk dat er dan nogal het een en ander in de bijbelse verhalen moet vallen. Men meende op deze wijze objektief te werk te gaan en de bijbel te bevrijden van zijn subjektiviteit. Maar de hoog geprezen objektiviteit was in werkelijkheid zo objektief niet. Zonder dat men het blijkbaar door had, liet men zich leiden door eigentijdse opvattingen en redeneringen, waarbij ook de evolutiegedachte een grote rol speelde. Heel het geschiedenisbeeld van Israël werd vanuit deze gedachte opgebouwd. Volk en religie van Israël zouden zich pas langzaam hebben ontwikkeld uit zeer primitieve vormen naar het hoogtepunt van de tijd en de prediking der profeten, waarvan de moraal als de kern werd beschouwd, ook al weer geheel naar het beeld dat men in de 19e eeuw had van het wezen van de godsdienst.

    Gunkel heeft toen terecht gewezen op het op deze wijze onjuiste omgaan met de verhalen in de bijbel. We mogen die verhalen niet gebruiken om daarmee te trachten wat men noemt ‘de ware geschiedenis’ te achterhalen. We moeten de verhalen nemen zoals ze zijn, waarbij ook Gunkel de geschiedkundige waarde van de verhalen niet hoog aansloeg. Maar die interesseerde hem niet. Er kan zeker aan de verhalen in de bijbel een of ander historisch gebeuren ten grondslag liggen, maar veel belangrijker is het om na te gaan welke ontwikkeling deze verhalen hebben doorgemaakt, wat ze zeggen willen, het kerygma van de verhalen, en waar ze zijn ontstaan en geschiedenis hebben gemaakt, de ‘Sitz im Leben’.’

    Weiser en Von Rad hebben toen gewezen op Israels credo, het geloof dat in de verhalen werkzaam is. Dat moeten we zoeken te verstaan. Of alles zo precies gebeurd is als de verhalen schijnen te willen zeggen, is niet belangrijk. We moeten letten op de geloofsaktiviteit in de verhalen. Daar gaat het om.

    Von Rad spreekt van tweeërlei geschiedbeschrijving: de moderne geschiedbeschrijving, die zich bezig houdt met de geschiedenis zoals ze werkelijk is geschied en de theologische geschiedbeschrijving, waarmee we in de bijbel hebben te doen. Deze biedt vanuit het geloof geschreven en geïnterpreteerde geschiedenis.’

    Iets soortgelijks treft men ook aan bij Schillebeeckx, die onderscheid maakt tussen het Jezus-beeld en het Jezus-gebeuren zoals die later door de gemeente in de evangeliën zijn geïnterpreteerd, en de echte, historische Jezus, om wie

    het Schillebeeckx te doen is. Niet dat hij de interpretaties in het N.T. niet van belang en legitiem acht, maar hij probeert achter de verhalen in het N.T. de historische Jezus en wat werkelijk gebeurd is op het spoor te komen om zo de mens Jezus dichter te brengen bij de mens van vandaag.’ Dit zoeken naar de ‘werkelijke Jezus’ doet denken aan het opsporen van ‘de werkelijke geschiedenis’ en de ‘Leben Jesu Forschung’ uit de vorige en het begin van onze eeuw.

    Kerygma en feit

    Het uit elkaar halen van kerygma en feit is een onmogelijke en nodeloze bezigheid. Feit en kerygma zijn in de bijbel zo verweven dat ze niet uit elkaar te halen zijn. De feiten worden ons niet louter meegedeeld als gebeurde feiten, maar als verkondiging. Het moge een historicus interesseren hoe de uittocht uit Egypte of de intocht in Kanaan precies hebben plaats gehad, daar gaat het in de bijbel niet om. Het gaat daar om de magnalia Dei, de grote werken van God in de geschiedenis, opdat we zullen zien wie Hij is en wat Hij gedaan heeft en nog altijd doet. De feiten zijn geïnterpreteerde feiten, niet slechts vanuit het geloof van Israël of van de eerste christelijke gemeente. De Schrift wil meer zijn dan geloofsgetuigenis van vrome en gelovige mensen, ze dient zich aan als Woord Gods. We kunnen achter deze in de Schrift geïnterpreteerde en verkondigde feiten niet terug en dat hoeft ook niet. De feiten worden ons als kerygma verkondigd.

    En zijn de feiten niet los te maken van het kerygma, evenmin het kerygma van de feiten. Zonder de feiten komt het kerygma in de lucht te hangen, verliest zijn grond en inhoud. De boodschap moge nog zo vroom en nog zo gelovig zijn, wanneer ze niet op feiten is gegrond, rust ze nergens op. Het gaat in het O.T. om de God die handelt en in het N.T. niet minder. Paulus schrijft aan de gemeente van Korinthe dat wanneer Christus niet werkelijk is opgewekt, het geloof en de prediking zinloos zijn. Dan zijn allen die in Christus ontslapen zijn verloren (1 Kor. 15). Het komt wel terdege op de feiten aan.

    We hebben in de bijbel op deze wijze unieke geschiedenis, die naar de maatstaven van onze moderne geschiedenisopvatting niet kan en mag gemeten worden. Dan is er heel wat in de bijbel dat voor de rechtbank der kritiek niet bestaan kan. Dan gaan onze opvattingen heersen over wat de bijbel ons zegt en maken wij naar onze gedachten uit wat daarin waar en niet waar is. Dan verliezen wij de werkelijke boodschap van de Schrift.

    Maar evenzeer is het onjuist om de wijze waarop de Schrift ons de feiten verhaalt en beschrijft te meten naar onze wijze van geschiedbeschrijvitig. Wij verstaan onder geschiedbeschrijving dat exact wordt verhaald wat precies gebeurd is. Bijbelschrijvers hebben minder behoefte gehad aan exactheid en volledigheid. Ze delen slechts mee wat voor de verkondiging noodzakelijk is.

    En ook voor een anachronisme schrikken ze niet terug. Als God tegen Abram zegt: k ben de HERE, die u uit Ur der Chaldeeën geleid heb (Gen. 15 : 7), dan doet de formulering sterk denken aan het begin van de decaloog en met de naam HERE was God aan Abram nog niet bekend (Ex. 6 : 2), maar de schrijver (en oorspronkelijk de verteller) van het verhaal laat op deze wijze duidelijk zien, dat de God van Abram geen andere was dan de God van de Sinaï, de God die met Israël, de nakomelingschap van Abram, zijn verbond sloot. En als de Kroniekschrijver David fabelachtige geldsommen voor de tempelbouw opzij laat leggen, tot Perzische darieken toe (1 Kron. 29:7), moet men niet zo flauw zijn door op te merken dat dat niet kan of proberen getallen in Samuel met die in Kronieken te harmoniseren, maar er begrip voor tonen dat de Kroniekschrijver ons onder de indruk wil doen komen van de persoon van David, die zóveel voor het huis Gods over had en aldus kan worden getekend als type van de komende Messias die voor het huis Gods nog veel meer zou over hebben.

    Iemand als Wellhausen kon voor deze wijze van geschiedbeschrijving geen waardering opbrengen en de Kroniekschrijver kreeg bij hem dan ook een heel laag cijfer. Hij beoordeelde diens wijze van geschiedschrijving geheel naar de normen die hij meende aan geschiedbeschrijving te moeten stellen, maar dat is natuurlijk onbillijk en ook onwetenschappelijk. We zullen moeten proberen er achter te komen hoe bijbelschrijvers geschiedenis beschrijven en hen daarin biUijken.

    Ook aan orthodoxe zijde werd vaak aan dit eigen karakter van de bijbelse geschiedschrijving, waarop reeds Bavinck wees, nauwelijks recht gedaan. Ook daar werd de bijbelse wijze van geschiedbeschrijving te vaak gemeten naar de maatstaven van onze wijze van geschiedbeschrijving, getuige bv. een uitdrukking als ‘zintuigelijk-waarneembaar’ in verband met Gen. 2 en 3, de ijverige pogingen om bijbelteksten te harmoniseren en vaker dan nodig was stond men voor een non liquet en dat zou minder nodig zijn geweest, wanneer aan de eigen aard van de bijbelse geschiedschrijving meer aandacht geschonken was. We moeten de Schrift laten spreken op haar eigen wijze. Haar geschiedbeschrijving heeft een eigen doel en een eigen manier. Zij is profetische geschiedbeschrijving en dat bepaalt haar aard. Er zijn in de Schrift profeten aan het woord, niet alleen in de profetische prediking, maar ook in wat wij plegen te noemen de historische boeken van de bijbel.

    O verleveringsgeschiedenis

    Ook het ’traditionsgeschichtlich’ en het ‘formgeschichtlich’ onderzoek zijn voor onze kennis van de Schrift niet zonder betekenis geweest. We hebben er meer oog voor gekregen dat we in de Schrift dikwijs te doen hebben met schriftelijke fixatie van tradities, die soms eeuwenlang mondeling zijn overgeleverd. Dat is begrijpelijk. De meeste mensen konden immers niet lezen en zelfs wanneer tradities een schriftelijke neerslag hebben ontvangen gaat de mondelinge overlevering gewoon door. Dat is zelfs bij ons nog zo. Wat in de

    bijbel staat geschreven komt tot de kinderen in de vertelling en tot de gemeente in de preek.

    Onder Israël moesten de daden van God van ouder op kind verteld worden (Gen. 18 : 19; Ex. 10 : I; 12 : 24w.; 13 : 8w.; Deut. 6 : 20w.). Met name ook in de cultus speelde de verkondiging van Gods heilsdaden een grote rol. Op de grote feesten werden de daden van God in de uittocht uit Egypte en de intocht in Kanaan, de wetgeving op de Sinaï en de verkiezing van de Sion als woonplaats van God steeds opnieuw verkondigd, vaak in vaststaande woorden en vormen. We weten ook uit onze tijd hoe cultus en verkondiging vaak aan vaststaande vormen en terminologieën hangen. Maar in de oudheid was dat nog sterker het geval. Uiterst nauwgezet werden de verhalen van het ene geslacht op het andere doorverteld, met grote eerbied voor de traditie. Soms bestonden er verschillende tradities naast elkaar, bv. van de verschijning van Jahwe in het brandende braambos (Ex. 3 en 6) of van de wetgeving op de Sinaï (Ex. 20 en Deut. 5). En al deze tradities ontvingen een schriftelijke neerslag en werden ook daarna dikwijls nog weer aangevuld en geaktualiseerd. Een woord als in Gen. 22:14, dat het op de berg des HEREN zal voorzien worden of, volgens een andere vertaling, daar verschijnt (gezien wordt), waarmee toch wel naar de tempelberg verwezen wordt, kan een latere uitbreiding van de verteller zijn, terwijl het verhaal alszodanig veel ouder is. Eveneens kan de bekende uitdrukking dat iets stand hield tot op de dag van heden (Joz. 3:9; 7:26, enz.) uit de mondelinge vertelling verklaard worden. De literaire kritiek, die slechts met schriftelijke documenten rekening hield, sprak van schriftelijke toevoegingen, glossen. Het ’traditionsgeschichtlich’ onderzoek heeft aangetoond, dat wat schriftelijk werd vastgelegd vaak eerst in mondelinge overlevering werd gevormd. Woorden van profeten werden ongetwijfeld reeds vroeg op schrift gesteld. We hebben daarvan een voorbeeld bij Jeremia (Jer. 36), maar evenzeer zijn ze later mondeling overgeleverd en verkondigd, waarbij ze soms in nieuwe situaties werden geactualiseerd en geherinterpreteerd. Menig voorbeeld uit de profeten is daarvoor aan te halen.*” Waarschijnlijk was het spotlied van de koning van Babel in Jes. 14 oorspronkelijk een spotlied op de koning van Assyrië en omtrent Habakuk 2 hebben exegeten onderling gestreden over de vraag of de profeet het daar nu heeft over binnenlandse of over buitenlandse verdrukkers, daar nu eens het een en dan weer het ander het geval schijnt te zijn. Waarschijnlijk heeft Habakuk het over binnenlandse onderdrukkers, koning Jojakim en zijn kliek, en worden zijn profetieën later door de gemeente in de babylonische ballingschap toegepast op de Babyloniërs.

    Vormgeschiedenis

    Naast het ’traditionsgeschichtlich’ onderzoek is het ‘formgeschichtlich’ on-

    derzoek van belang geweest. Bij dit onderzoek gaat het om de literaire vorm, de ‘Gattung’ van een tekst of samenstel van teksten en hun ‘Sitz im Leben’. Aan dit onderzoek zijn in eerste instantie de naam van Gunkel en Gressmann verbonden, maar vele anderen hebben dit onderzoek voortgezet. Vergelijking met oudoosterse literatuur buiten Israël toonde aan dat daar soortgelijke stijlfiguren voorkwamen als in het O.T. En het maakt voor de exegese verschil of men te doen heeft met een psalm, een wetsgedeelte, een spreuk of een verhaal. In de profetische geschriften ontmoeten we bodespreuken (met of zonder de inleiding; alzo spreekt de HERE), stijlvormen aan het klaaglied of aan de juridische sfeer ontleend. Elke stijlvorm heeft zijn eigen ‘Sitz im Leben’, zoals bij ons een preek een andere stijl heeft dan een notariële akte en deze weer verschilt van een kinderverhaal of een handelsbrief en elke stijl thuis hoort in een andere sfeer en een eigen achtergrond heeft.

    Dat uit de opgravingen in het Midden-Oosten en aldus door de ontsluiting van de oudoosterse cultuurwereld het nauwe verband tussen Israël en die oudoosterse cultuurwereld gebleken is en het O.T. daarvan alle kenmerken blijkt te dragen, is bekend. Dat dit voor het verstaan van de Schrift van onschatbare betekenis is geweest en op vele zaken nieuw licht heeft geworpen en in vele opzichten de exegese op een nieuw spoor heeft gezet, is begrijpelijk. Het zou te ver voeren daarop nu verder in te gaan.

    Ik kom tot twee nieuwe vormen van uitleg, namelijk de structuur-analyse en de Materialistische exegese.

    0
    9
  3. Leontien ik haat je zegt:

    Kan hij niet een leuke cover opnemen met z’n vader? Pappa, van Stef Bos. Oh nee, doe toch maar niet. Doe maar, I love to hate you van Erasure.

    2
    0
  4. Geen Rooskapje maar Roodkapje zegt:

    Er was eens een lief klein meisje; iedereen die haar zag hield veel van haar, maar haar grootmoeder wel het allermeest, en die wist eenvoudig niet, wat ze het kind allemaal zou willen geven. Op een keer gaf ze haar een rood fluwelen mutsje, en omdat het haar zo goed stond en ze nooit meer iets anders droeg, werd ze voortaan enkel maar Roodkapje genoemd. Op een dag zei haar moeder: “Kom, Roodkapje, hier heb je een stuk koek en een fles wijn, breng dat eens naar je grootmoeder. Ze is zwak en ziek en het zal haar goed doen. Ga er heen voor het te warm wordt, en als je het dorp uit bent, loop dan netjes en ga niet van het pad af, want anders val je nog en breekt de fles, en dan heeft grootmoeder niets. En als je bij haar binnen komt, niet vergeten dadelijk goedendag te zeggen en niet eerst overal rondsnuffelen.”

    “Ik zal goed oppassen,” zei Roodkapje tegen haar moeder en ze gaf er haar de hand op. Grootmoeder woonde buiten in het bos, een half uur van het dorp vandaan. Toen Roodkapje in het bos was gekomen, kwam ze de wolf tegen. Maar Roodkapje wist niet dat het een gevaarlijk dier was en bang was ze al helemaal niet. “Goedemorgen, Roodkapje,” zei hij. “Dag, Wolf.” – “En waar ga je zo vroeg naar toe, Roodkapje?” – “Naar grootmoeder, Wolf.” – “En wat heb je daar onder je schortje?” – “Koek en wijn. We hebben gisteren gebakken en grootmoeder is wat zwak en ziek en hiermee kan ze wat op krachten komen.” – “Zeg Roodkapje, waar woont je grootmoeder dan?” – “Nog ruim een kwartier lopen verder het bos in, onder de drie grote eiken staat haar huisje, en beneden is een notenhaag, je kent het vast wel,” zei Roodkapje. De wolf dacht bij zichzelf: “Dat jonge malse ding is een heerlijk hapje, dat zal nog beter smaken dan die oude vrouw; als je slim te werk gaat, kan je ze allebei pakken.” Hij bleef nog een poosje naast Roodkapje meelopen, en zei: “Kijk, Roodkapje, wat een mooie bloemen overal, waarom kijk je niet wat om je heen? En heb je wel in gaten hoe heerlijk de vogels zingen? Jij loopt maar recht toe recht aan alsof je snel naar school moet en dat terwijl het hier vandaag zo verrukkelijk is.”
    Roodkapje keek eens rond en toen ze zag hoe de zonnestralen door de bomen dansten en hoeveel mooie bloemen er overal stonden, dacht ze: “Als ik voor grootmoeder een mooi boeketje meebreng zal ze dat heerlijk vinden; het is nog zo vroeg, dat ik toch wel op tijd kom.” En ze ging van het pad af tussen de bomen om bloemen te plukken. En telkens als ze er één geplukt had, dacht ze dat er verderop nog een mooiere stond en zo raakte ze steeds dieper het bos in. Maar de wolf ging recht toe recht aan naar het huis van grootmoeder en klopte aan de deur: “Wie is daar?” – “Roodkapje, met een koek en met wijn, doe de deur maar open!” – “Druk maar op de klink,” riep grootmoeder, “ik ben te zwak en kan niet opstaan.” De wolf drukte op de klink, de deur sprong open, en zonder één woord te zeggen sprong hij naar het bed en at de grootmoeder op. Toen trok hij haar kleren aan, zette haar nachtmuts op, ging in haar bed liggen en trok de gordijnen dicht.

    Roodkapje had ondertussen een heleboel bloemen geplukt en toen ze er geen één meer kon dragen, dacht ze weer aan grootmoeder en ging ze op weg naar haar toe. Ze was verbaasd dat de deur openstond en toen ze de kamer binnenkwam, vond ze het er zo vreemd dat ze dacht: “Wat vind ik het hier griezelig vandaag, terwijl ik hier anders zo graag ben.” Ze riep: “Goedemorgen,” maar er kwam geen antwoord. Toen liep ze naar het bed en schoof de gordijnen opzij. Daar lag grootmoeder met haar muts over haar gezicht en ze zag er erg vreemd uit. “O grootmoeder, wat heb je grote oren!” – “Dat is om je beter te kunnen horen.” – “Maar grootmoeder, wat heb je grote ogen!” – “Dat is om je beter te kunnen zien.” – “Maar grootmoeder, wat heb je grote handen!” – “Dat is om je beter te kunnen pakken.” – “Maar grootmoeder, wat heb je een verschrikkelijk grote bek!” – “Dat is om je beter op te kunnen vreten.” En nauwelijks had de wolf dat gezegd of hij sprong uit bed en verslond het arme Roodkapje in één hap.

    Toen de wolf zo zijn honger gestild had ging hij weer heerlijk in het bed liggen, sliep in en begon heel hard te snurken. Toen kwam net de jager voorbij en die dacht: “Wat snurkt dat oude mens hard, ik zal eens kijken of haar wat mankeert.” Hij kwam in de kamer en toen hij voor het bed stond zag hij dat de wolf erin lag. “Vind ik je hier, ouwe boosdoener,” zei hij, “ik heb lang naar je gezocht.” Hij wilde net gaan schieten, maar toen hij zijn geweer richtte bedacht hij zich ineens dat de wolf de oude vrouw misschien had opgegeten en dat ze misschien nog te redden was. Hij schoot niet maar begon met een schaar de buik van de slapende wolf open te knippen. Na een paar knippen zag hij een rood kapje glimmen en na nog een paar knippen sprong het meisje eruit en riep: “O, wat ben ik bang geweest, wat was het donker in de buik van de wolf!” En toen kwam de oude grootmoeder ook nog levend tevoorschijn, al kon ze haast niet ademen. Roodkapje haalde snel een paar grote stenen die ze in de buik van de wolf stopten en toen hij wakker werd, wilde hij wegspringen, maar de stenen waren zo zwaar dat hij onmiddellijk viel en dood was.

    Nu waren ze alle drie blij. De jager stroopte de pels van de wolf af en trok daarmee naar huis, de grootmoeder at de koek en dronk van de wijn, die Roodkapje had meegebracht, en die maakte haar beter. Maar Roodkapje dacht: “Zolang ik leef, zal ik nooit meer alleen van het pad afgaan en het bos inlopen, wanneer mijn moeder dat verboden heeft.”

    De mensen vertellen dat op een keer, toen Roodkapje de oude grootmoeder weer koek en gebak ging brengen, er een andere wolf kwam, die haar aansprak en weg wilde lokken. Maar Roodkapje paste wel op en liep gewoon verder en vertelde aan grootmoeder dat ze de wolf was tegengekomen, die haar wel goedendag had gezegd, maar zo kwaadaardig uit zijn ogen had gekeken: “Als het niet op de grote weg was geweest, had hij me vast opgegeten!” – “Kom,” zei grootmoeder, “we zullen de deur op slot doen, zodat hij er niet in kan.” Kort daarop klopte de wolf aan en zei: “Doe open, grootmoeder, ik ben het, Roodkapje, ik breng gebak voor je mee.” Maar zij hielden zich stil en maakten de deur niet open. Toen sloop de Grijskop een paar maal rond het huis, sprong eindelijk op het dak om te wachten tot Roodkapje ’s avonds naar huis zou gaan. Dan zou hij haar achterna sluipen en in het donker opeten. Maar de grootmoeder merkte wat hij van plan was. Nu stond er voor het huis een grote stenen trog en ze zei tegen het kind: “Neem de emmer, Roodkapje, gisteren heb ik worsten gekookt, gooi jij dat worstennat in de trog.” Roodkapje droeg zo veel tot die hele grote trog vol was. De geur van de worst kreeg de wolf in de neus, hij snuffelde en keek omlaag, en tenslotte rekte hij zijn hals zo ver uit dat hij zijn evenwicht verloor en begon te glijden, en hij gleed van het dak af precies de trog in en verdronk. Roodkapje ging vrolijk naar huis en bleef ongedeerd.

    1
    2
  5. GUIDO DEN AFTREKKER zegt:

    Zit ik hier weer voor de redactie van Shownieuw naar scoops te zoeken. Het is komkommertijd en wij zijn zelf echt wel een beetje klaar met dat we nu elke dag zo moeten slijmen over de Oranjes.

    1
    2
  6. Nieuws uit Steenwijk zegt:

    Al omstreeks 900 moet er een kerk te Steenwijk gestaan hebben. Uit deze eerste wellicht houten kerk is uiteindelijk de Grote of Sint Clemenskerk ontstaan. De St Clemens had verschillende vicarien. 28 mei 1547 is er de collatie door het kapittel der St. Clemens-kerk te Steenwick, ‘ad instanciam (et) interpellationem’ van schepenen, raden en provisoren der kerkfabriek, van Lubbertus de Hardenberch tot het beneficie of altaar, in bedoelde kerk gesticht ter eere van de Maagd Maria onder het Kruis, vacant door dood van Johannes Volckeri.
    Bij de volgende collatie van een kerkelijk functionaris bij deze vicarie komen er hogere heren aan te pas. Er wordt in 1555 ene Joannes Hovelmans benoemd. 13 juli 1555 is er het bevel van Hieronimus de la Verde Rue, proost der St. Vincentius-kerk te Soignies, krachtens den ingelaschten brief van collatie d.d. november 1554 door Hieronimus van Boulogna, aartsbisschop van Conza, pauselijk nuncius met bevoegdheid van legatus de latere over Germania, van Joannes Hovelmans Jr., geestelijke uit de diocese Kamerijk, tot de eeuwige vicarie op het altaar, gesticht ter eere van de Maagd Maria onder het Kruis in de kapittelkerk van Steenwyck, vacant door den dood van Lubertus de Campis, zijnde sine cura en terwijl de jaarlijksche inkomsten 24 gouden dukaten niet te boven gaan — om daaraan gevolg te geven. (Volgt de notarieele akte van consignatie d.d. 21 Maart 1556 van den betrekkelijken collatiebrief door Sebastianus Wechéle als procureur van Joannes Hovelmans.
    Er stonden in de middeleeuwen verschillende andere kerken in Steenwijk, waaronder de St. Maria kapel. Dit blijkt uit de institutieregisters, want 2 october 1504 is er de institutie van Mr. Johannes Blessinck tot de eeuwige capellanie of vicarie, gesticht ter eere van God en de Maagd Maria in de St. Maria-kapel te Steenwyck, vacant door dood van Remboldus Hemerkinge, krachtens presentatie van burgemeesters, schepenen en ‘rectores’ van Steenwijk, met bevel tot inbezitstelling bepaaldelijk aan Stephanus ter Maet te Deveren en Mr. Johannes Wtloe te Antiquabercopis. Aan de vicarie gesticht ter ere van God en de Maagd Maria was ook een broederschap of memorie verbonden.
    21 februari 1532 is er de institutie van Fredericus Johannis tot het officie of de vicarie, genaamd de St. Maria-memorie, in de
    St. Maria-kapel in de stad Steenwyck, vacant door dood of resignatie van wijlen Mr. Johannes Eassens, krachtens presentatie van keizer Karel, heer o.a. van Overijsel, desnoods na indaging voor Jaspar Schimmelpenninck, deken te Steenwyck. Naast de St Maria kapel was er ook een Heilige Geest kapel.
    27 maart 1560 is er de institutie van Henricus Francisci tot de St. Catharina- vicarie in de H. Geest-kapel binnen Steenwijk,
    vacant door resignatie van Otgerus Alteti, krachtens presentatie van burgemeesters en schepenen aldaar, desnoods na indaging voor Fredericus Blessinck, commissaris over de jurisdictie Steenwijk, Stellingwerf en omliggende plaatsen. (1) (Zie voor de betekenis van de verschillende termen de uitleg over de middeleeuwse organisatie van het kerkbestuur)

    Steenwijk heeft in de 16e en 17e eeuw veel met oorlogshandelingen te maken gehad. De stad kreeg stadswallen om haar te verdedigen. Met name de krijgshandelingen rond de stad in de tachtigjarige oorlog zijn zeer bekend.

    Steenwijk is altijd een belangrijk regionaal cultureel centrum geweest. Een stad, waar wegen en waterwgen samenkomen en het een komen en gaan van reizigers was. Vanaf 1664 werd voor die reizigers en voor de inwoners van Steenwijk en omgeving eeuwenlang jaarlijks de Steenwijker Almanak uitgegeven. Steenwijk is in de loop der eeuwen ook een regionaal centrum voor boekdrukkers en uitgevers geweest.

    De gemeente Steenwijk werd in vroeger tijden geheel door de gemeente Steenwijkerwold omgeven, maar maakt momenteel deel uit van de gemeente Steenwijkerland. In de 19e eeuw legde de bevolking zich toe op handel, landbouw en de veenderij terwijl er ook een grote hoeveelheid keien en veldstenen werden aangetroffen. Omstreeks 1850 telde de gemeente Steenwijk, met daarbij behorende stad Steenwijk, 622 huizen, bewoond door 631 huisgezinnen. Het totaal aantal inwoners bedroeg 3390. Vrijwel alle inwoners stonden omstreeks 1850 als Hervormd geregistreerd. (2)

    De gemeente Steenwijk kende omstreeks 1850 in de tijd dat Van der Aa zijn aardrijkskundig woordenboek schreef ook een Doopsgezinde gemeente in Zuidveen. Er waren toen 60 lidmaten. Verder waren er 200 katholieken en was er een ringsynagoge van de Israëlieten, die omstreeks 200 in getal waren.

    De stad Steenwijk zelf lag omstreeks 1850 aan de straatweg van Meppel naar Leeuwarden. Aan de zuid- en oostzijde van de stad lagen uitgestrekte vruchtbare bouwlanden; aan de noord- en westzijde goede weilanden , waaronder 250 bunder meentegrond. Het riviertje de Aa, dat uit Drenthe komt, stroomde in de 19e eeuw noordelijk van de stad en verdeelde zich westelijk van Steenwijk in twee delen, waarvan het ene zuidwaarts liep en het andere in de buurtschap Verlaat in het Sleenwijkerdiep stroomde. Dit Steenwijkerdiep, omstreeks het midden der zeventiende eeuw gegraven , bracht een verbinding tot stand tussen Steenwijk en de Zuiderzee. De straatweg van Zwolle naar Leeuwarden, liep in de 19e eeuw door de stad. De straten in Steenwijk kwamen in de 19e eeuw uit op de vierkante, Grote Markt. (Zie foto boven). De hoge wallen , die vroeger de stad geheel omgaven, waren omstreeks 1850 volgens Van der Aa op enige plaatsen, in aangename wandelroutes herschapen, waarbij men vanaf de hogere punten ‘de schoonste gezigten heeft op Steenwijkerwold’.

    Economie in de 19e eeuw

    Er waren in Steenwijk in de eerste helft van de 19e eeuw 6 , waaronder 2 zeer belangrijke, leerlooijerijen , l blooterij , l lijmkokerij, enige weverijen en bezemmakerijen, l run-, 2 houtzaag-, l olie, l vol- en 2 korenmolens. De handel in granen , turf en hakhout was niet onbeduidend. Veldstenen, werden jaarlijks bij duizenden lasten van hier vervoerd, de grote voor de zeeweringen. De kleine werden stukgeslagen om ze te gebruiken bij het aanleggen van kunstwegen. Het delven, vervoeren en stuk slaan van deze stenen bracht de stad vele economische voordelen, de werkzaamheden stelden de armen en minder goed bedeelden in staat ook ’s winters een goed dagloon te verdienen zegt Van der Aa. Landbouw en veehouderij verschaften voorts aan vele ingezetenen een goed bestaan, en de tuinbouw breidde zich uit. Op de jaar en weekmarkten werden soms wel 1000 tot 1200 stuks runderen aangevoerd.

    Bij de Gastbuispoort stond eertijds binnen de stad een blokhuis of kasteel, het Kasteel van Steenwijk geheten. Dit kasteel was in het jaar 1523 door George Schenk gesticht, maar werd, toen Overijssel in 1527, onder Karel V kwam, weer afgebroken, hoewel de grachten nog lang daarna te zien zijn geweest.

    Omstreeks 1850 trof men in Steenwijk verschillende scholen aan; een Franse school voor jongens en een voor meisjes, twee Stads Burgerscholen, een armenschool en twee Bewaarscholen.

    Bij de watervloeden van 1778 en 1776 stond het land rondom Steenwijk voor het grootste gedeelte blank. Men schatte volgens van der Aa in 1778 het aantal mensen, dat destijds naar Steenwijk vluchtte op ongeveer 800 en het vee op meer dan 700 stuks.

    Maar de overstromingsramp van 1825 overtrof alles. Op de middag van den 4 Februarij 1825 omstreeks 13.00 uur brachten enige vluchtelingcn de ontzettende tijding in Steenwijk, dat de zeedijken waren doorgebroken. Enige tijd later werd dit bericht bevestigd omdat binnen een paar uren het land rond Steenwijk volledig blank stond. De stadsgracht was om 15.00 uur reeds opgevuld met aangespoeld hout, turf, huisraad, vee , tenten en daken van huizen. Ook in woningen die vrij hoog lagen , spoelde het water de ramen binnen en ’s nachts om 24.00 uur was het water ’28 ellen’ hoger dan tijdens de beruchte walervloeden van 1778 en 1776. De stad zelf had niet veel van het water te lijden, maar men vreesde toch ergere dingen, omdat het water met een grote kracht op de stad aanzette. In Steenwijk viel het nogal mee, maar in de omliggende streken was de schade groot.

    Belangrijke persoonlijkheden

    Steenwijk is de geboorteplaats van de godgeleerde Cornelis Schultingius, die gestorven is op 10 April 1637, als Regent van het St. Laurens Collegie te Keulen en Kanunnik van de St. Andrieskerk aldaar. Cornelis Schultingius heeft vele geleerde geschriften nagelaten. Zijn broer was de rechtsgeleeerde Petrus Schultingius die hoogleraar in de rechten was en gedurende 30 jaar Pensionaris te Keulen. Zie daarvoor ook de geschiedenis van de familie Schultinck.

    In Steenwijk hebben zich in de 18e eeuw verschillende ‘inwendige beroerten’ (opstanden) van de bevolking voorgedaan, vooral in de jaren 1747 en 1748. Aanleiding voor de rellen was de verkiezing van een predikant, en de protesten werden verder veroorzaakt omdat men van de stadsregering inzage wenste in de stadsinkomsten ten einde enige misbruiken, die in het politieke en financiele bestuur waren geslopen op te heffen. Sommige opstandelingen werden door het stadsbestuur

    0
    2
  7. Deelder zegt:

    Op 28 september 2010 schreef ik over het tunnelgedicht van Joke van Leeuwen in Antwerpen. Wat ik niet wist maar waar ik door Alek op gewezen werd, is dat Nederland ook over een tunnelgedicht beschikt. Dit is het gedicht ‘Lieve Ari’ van Jules Deelder. Deelder schreef het gedicht voor zijn in 1985 geboren dochter Ari. Het gedicht staat geschreven, of beter gezegd getegeld, over de gehele wand van de fietsbuis van de Benelux tunnel onder de Nieuwe Maas tussen Vlaardingen en Pernis. De tekst is 900 meter lang en daarmee het langste gedicht van Nederland (of dit ook het langste gedicht ter wereld is zoals wel beweerd weet ik niet, op 24 mei 2010 schreef ik al over het gedicht ‘De schaapsherder’ van Fernando Pessoa op een fietspad langs de Taag in Lissabon) en dat is aangebracht op de wanden van de fietstunnel naast de Beneluxtunnel bij Vlaardingen.

    Het gedicht luidt:

    .

    Voor Ari

    .

    Lieve Ari
    Wees niet bang

    De wereld is rond
    en dat istie al lang

    De mensen zijn goed
    De mensen zijn slecht

    Maar ze gaan allen
    dezelfde weg

    Hoe langer je leeft
    hoe korter het duurt

    Je komt uit het water
    en gaat door het vuur

    Daarom lieve Ari
    Wees niet bang

    De wereld draait rond
    en dat doettie nog lang

    2
    1
  8. @Jan-waar-is-de-extra? zegt:

    Die aankondiging, walgelijk, misselijkmakend gewoon. Nummer niet eens geluisterd. Kunnen al die kinderen geen vak leren?

    4
    0
  9. Anti Alles zegt:

    Autotune = gebrek aan kwaliteit = niet kunnen zingen
    Helaas is het tegenwoordig ingeburgerd bij de jeugd. De jeugd die als maar dommer en minder breed ontwikkeld is , groeit ook nog eens op met zelfbenoemde artiesten die niet kunnen zingen. Helaas is de jeugd gevoelig voor mee-loperij. Ruggengraten zijn ver te zoeken in de huidige maatschappij.

    4
    0

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.